elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: knaarten

knaarten , knaortĕn , kreunen van een koe.
Bron: Ebbinge Wubben, C.H. (1907), ‘Staphorster Woordenlijst’, in: Driemaandelijkse Bladen 6, 61-94
knaarten , knaoren , knaorten , zwak werkwoord, onovergankelijk , (Zuidwest-Drenthe, Midden-Drenthe, Kop van Drenthe). Ook knaorten (Zuidwest-Drenthe, zuid) = 1. kreunen As een koe knaort, dan is e niet goed (Hol), Hij lig daor mar in bedde te knaoren, mar hij mekeert niks (Ruw), Het kiend knaorte wat as ze sleup snurkte licht (Mep), zie ook knaogen I, knarpen, knarsen 2. knorren (Zuidwest-Drenthe) Het knaort mij zo ien de boek (Rui), zie ook knorren
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal