elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: koffie

koffie , kōffie , kōffien , zie: tee, en vgl. tebak. Zie ook: stinkende boon; kōffien (Westerwolde onzijdig) = koffie.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
koffie , koffie , kaffie , (ook kòffie) , (zelfstandig naamwoord vrouwelijk) , Zie de wdbb. || Een kompie (kommetje) koffie. – Ook in het Stad-Fri. heeft koffie deze uitspraak. Te Oostzaan spreken sommige oudere lieden nog van kaffie. – Vgl. ook bedelaarskoffie bedelaar.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
koffie , kōffie* , vgl. stinkende boon * [bldz. 566.]
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
koffie , koffien , koffie.
Bron: Ebbinge Wubben, C.H. (1907), ‘Staphorster Woordenlijst’, in: Driemaandelijkse Bladen 6, 61-94
koffie , koffie , zelfstandig naamwoord de , in de zegswijze de koffie gaat over Skermerhorn, de koffie staat te pruttelen (verouderd). De zegswijze is hoogstwaarschijnlijk ontstaan als een vergelijking: door de ongelijke bestrating van de oude dorpsweg te Schermerhorn waren voorbijratelende karren goed hoorbaar en werden de passagiers dooreen geschud. – Om de koffie moete, op koffievisite moeten. Vgl. om de thee moete.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
koffie , koffie , kovvie , de , Ook uitgesproken als kovvie (Noord-Drenthe) = koffie Hij har ’s morgens om tien ure ’n bakkien koffie klaor (Ruw), ...broen (Sle), As der de eerappels uut waren in de harfst, dan hadden ze koffie mit koeke verdiend (Hgv), Koffie op ’t daarde dik kriegen slechte, slappe koffie (Pdh), Koomt ies ’n kommegien koffie halen als uitnodiging, of Haalt de koffie bij oes ies weer op uitnodiging voor tegenbezoek (Hgv), Van koffie krieg ie rode haore en een zwarte kont (Bco), ...rood haor en krom beeinen (Eex), Hij löp ok weer op de koffie zoekt een gelegenheid om te kunnen koffiedrinken (Klv), Kokende koffie is schooierskoffie (Sle), Dat was gien zuvere koffie (Mep), Dat was aandere koffie veranderde de zaak (Die), Hij is maal op de koffie kommen raar te pas gekomen (Ros), Pas maor op, aanders koom ie daor op de kolde koffie te pas (Dwi), De koffie smaakte hum der niet hij vond het daar niet prettig (Dal), Dan mut ze maar zien dat ze de koffie gaar kriegt weer uit de moeilijkheden komen (Hol) *Koffie die kold is en drei dagen old is, hoe heet men die? Antw. Op het vuur (Hgv)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
koffie , kòffie , koffie , koffie. Ook: Gunninks woordenlijst van 1908: koffie
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
koffie , kòffie , zelfstandig naamwoord , koffie; Mandos - Brabantse spreekwoorden (2003) -  de kòffie is daor mar koud (Pierre van Beek –  Tilburgse Taalplastiek 1969) - gezegd van een koele vrouw; Mandos - Brabantse spreekwoorden (2003) -  hêete vrouwen èn kaawe kòffie is tèèdwinst ( '72) - ironische opmerking van mannen: bij beide komt men sneller tot het gewenste doelWBD III.1.1:32 'koffiedrup' = moedervlek; WBD III.2.3:40 'koffie' = maaltijd in de namiddag
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal