elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: kokinje

kokinje , kekijltje , kekijzie, kekijlchie, kekijchie, kakaigie, kekaigi , (Stad-Groningsch) kekijchie, strouppiepien, in ’t Oldampt en Westerwolde = stroopje, peperhuisje met gekookte en daarna hard geworden stroop. In de Ommelanden is kekijzie, in ’t Goorecht luchbal, lōkbal, lōkballe, lukbal, lukkebal, een stroopballetje, iets grooter dan een uilevel, wat men in ’t Oldampt en Westerwolde loobal, lōchbal, lubbal noemt; daartentegen heet op ’t Hoogeland ten minste in de Marne een stroopje lubbal. Friesland kekynje, stroop- of suikerbal. Overijselsch kokkijen = suikerballen, Kil. kockilie = suikerslak; Geldersch kokinje = “gekookte stroop, die door kinders in kleine ronde schijfjes of daaldertjes wordt uitgegoten, en voorts gestold en hard geworden zijnde, opgeslikkerd.” Oostfriesch kokinje, een uit suiker of stroop gebakken voorwerp, suiker- of stroopgebak. v. Dale: kokinje, balletje van dik en taai gekookte suiker of siroop. Van: koken, in den zin van ’t Engelsche to cake = bakken.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
kokinje , kòkkîje , (mannelijk) , kòkkîjen , Kokinje, babbelaar. In mijn jeugd werd in de omstreken van Deventer zeker grof tarwebrood ook zoo genoemd,.
Bron: Draaijer, W. (1896). Woordenboekje van het Deventersch Dialect. ’s-Gravenhage: Martinus Nijhoff
kokinje , kekijchie , Stad-Groningsch voor kekijltje *.
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
kokinje , kakkeiĕ , stroopballetje.
Bron: Ebbinge Wubben, C.H. (1907), ‘Staphorster Woordenlijst’, in: Driemaandelijkse Bladen 6, 61-94
kokinje , kòkkîje , (mannelijk) , kòkkîjen , Kokinje, babbelaar. In mijn jeugd werd in de omstreken van Deventer zeker grof tarwebrood ook zoo genoemd.
Bron: Draaijer, W. (2e druk 1936), Woordenboekje van het Deventersch Dialect, Deventer: Kluwer.
kokinje  , koekkinje , kokinje.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
kokinje , kokkinje , zelfstandig naamwoord ’t , Stroopballetje. Letterlijk kokkinnetje.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
kokinje , kakei , kakeie, kakai, kekai , de , kakeien , (Zuidoost-Drents zandgebied, Midden-Drenthe). Ook kakeie (Zuidwest-Drenthe, Midden-Drenthe), kakai (Kop van Drenthe), ook wel als kekai uitgesproken = steek, hard, donker klontje met de smaak van Haagse hopjes, soort stroopballetje Kakeien bint goed veur het hoesten (Sle), Vrugger kregen wij een kakeie bij de koffie (Ruw), Kakeien bint harde, broene sukerklonten. De deden ze vrogger in een trommegie en dan kwamen er een paar witte bij in. Die waren wat dreuge en malig en daodeur gungen de aandern niet pikken (Hgv), Op de Geeitermaark stun Geert Kakei met Mientje met heur tentie met kakeigies veur de kinder (Eex)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
kokinje , kekientien , kokientien, kakientien, kakei , zelfstandig naamwoord , et; zoet snoepje, klontje van kokinje, babbelaar
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal