elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: koning

koning , keuning , Koning.
Bron: J.A.V.H. (18e eeuw), Haagsch Nederduitsch woorden-boekje. Den Haag: Johannes Mensert. Uitgegeven in: Kloeke, G.G. (1938), ‘Haagsche Volkstaal uit de Achttiende eeuw’, in: Tijdschrift voor Nederlandsche Taal- en Letterkunde 57, 15-56.
koning , koning , Zoo wordt hij genaamd, die bij een en ander volksvermaak den papegaai geschoten of eenen prijs behaald heeft.
Bron: Panken, P.N. (1850) Kempensch taaleigen, Idioticon I, A-Z, Idioticon II, H-Z, red. Johan Biemans, 2010, Bergeijk.
koning , kö̀nink , (mannelijk) , kö̀ninge , koning.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
koning , keunînk , keunîk , (Westerkwartier) = koning. Bij ’t rapendorschen de persoon welke de paarden ment die voor het blok loopen.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
koning , keunîng , keunînk , de paal of zuil om welke het dorschblok zich wentelt; ook de spil van een karnmolen. (Wij hebben er gezien met het jaartal 1666 en 1672). Dat voorwerp rust gewoonlijk op een keisteen, terwijl het bij het dak in het zoogenaamde floetholt (fluithout) draait. Ook de cilindervormige stijl, om welke de ketting van den bak loopt die bij het klandêrn door een paard in beweging wordt gebracht. Zie: klandêrn en: keunînktjen.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
koning , keuning , koning , (zelfstandig naamwoord mannelijk) , Koning. Zie de wdbb. – 1) Vorst. In deze zin is de vorm keuning nagenoeg verouderd. Men hoort hem soms nog in het sterrelied: “De starre ging veur, wij volgden haar, totdat ze bij keuning Herodes waar”; zie Navorscher 44, 125. 2) Als onderdeel van molens. – a) Bij een houtzaagmolen (paltrok). De zware houten spil, waarop de molen ronddraait; het steunpunt van de paltrok, die overigens op rollen staat. Op de keuning rust de onderste keuningsbalk of staartbalk, die horizontaal is geplaatst. Verticaal staat er op de keuningsstijl; hogerop ligt, wederom horizontaal, de keuningsbalk. Zie Groot Volk. Moolenb. I, pl. 5 en 6. – b) In andere molens met lopende stenen (olie- en verfmolens). Een dikke ijzeren cilinder midden in het doodbed, die als een ronde verhoging boven de legger uitsteekt, en waarin een vierkant hout (het keuningshout) is besloten. Op dit keuningshout staat de put, waar de steenspil op draait. Vgl. ook keuningsstok en keuningsstrijker. – Keuning is ook elders in de zin van molenspil bekend, b.v. in het Stad-Fri.; vgl. ook ’t Daghet in den Oosten 7, 18, waar als Limburgs wordt opgegeven: “den köning, rechtstaande boom of as, die van boven door ’t rondsel gaat” (het rondsel is het molenrad, dat op het staakijzer vastzit en door het kamrad in beweging gebracht wordt, aldaar).
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
koning , keunĕk , koning.
Bron: Ebbinge Wubben, C.H. (1907), ‘Staphorster Woordenlijst’, in: Driemaandelijkse Bladen 6, 61-94
koning  , keuning , koning.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
koning , kuennink , [kŭęnǝk] , mannelijk , koning
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
koning , [derde gedeelte van een ketting] , koning , (keuning) op de oude hand(deken) weverij was een stuk (ketting op het getouw) verdeeld in drie koningen, een koning in drie smetten (zie bij smet) (1892).
Bron: Beets, A. (1954), ‘Leidse woorden en uitdrukkingen’, in: Bicker Caarten, A. (red.), Leids Volksleven, Leiden: Sijthoff
koning , koonek , zelfstandig naamwoord, mannelijk , kuenege , kuenekjen , 1 koning, 2 mann. meikever
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
koning , kùnning , zelfstandig naamwoord, mannelijk , kùnninge , koning, bij kaartspel
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
koning , keunenk , koning
Bron: Steenhuis, F.H. (1978), Stoere en Olderwetse Grunneger Woorden, Wildervank: Dekker & Huisman
koning , keuning , zelfstandig naamwoord de , Verouderd voor koning.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
koning , kunning , 1) koning; 2) vertikale paal die de nokbalk draagt.
Bron: Crompvoets, H. en J. van Schijndel (1991), Mééls Woordeboe:k. Meijel: Medelo.
koning , konik , koning (kaartspel).
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
koning , keuning , keuneng, koning, keunink, konink, koonk , de , keunings, keuningen , Ook keuneng, koning (Zuid-Drenthe), keunink (Zuidwest-Drenthe, zuid), konink (Zuidwest-Drenthe, zuid), koonk (vd) = koning Hij döt of hij de koning van het dorp is (Ruw), Met die fiets is e de keuning te riek (Sle), ...te riek of is hij erg in z’n nopjes (Wijs), Ik heb de keuning bij het kaartspel (Zwe), Wij mut zien det wij die malle keunink der uut kriegt, aans giet het mis mit het bijenvolk bijenkoningin, die geen eieren legt (Ruw), Zien haan mot altied keuning krèeien hij wil de belangrijkste zijn (Bor) *In het laand van de blienden is ienoge koning (Smi); Waor niks is, hef zölfs de koning zien recht verleuren (Hgv); De keuning van Egypte / Die had een ding dat wipte / Tussen de bienen under het gat / Rao, rao, wat is dat? z’n paard (Pdh), zie ook bij keizer
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
koning , keùning , kunning , koning. zie ook kunning.
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
koning , konik , koning , koning. Ook: koning
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
koning , konek , koning.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
koning , kunneng , koning , Bè de bieje héd'de ginne kunneng mér 'n kunnegin, és die ûtvliegt gi alles meej. Bij de bijen heb je geen koning maar 'n koningin, als die uitvliegt gaan alle bijen mee.
Bron: Hendriks, W. (2005), Nittersels Wóórdenbuukske. Dialect van de Acht Zaligheden, Almere
koning , keuning , koning, keunink, keunig , zelfstandig naamwoord , de; 1. koning: vorst van een koninkrijk 2. belangrijkste machtshebber 3. koningin van een bijenvolk 4. koning in een schaakspel 5. heer in het kaartspel
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
koning , kunning , koning
Bron: Bergh, N. van den, e.a. (2007), Um nie te vergeete. Schaijks dialectboekje, Schaijk.
koning , konink , (zelfstandig naamwoord) , koning.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
koning , kunning , koning , Mi de kérmis go ’t schut kunningschiejte. Met de kermis gaat het gilde koningschieten.
Bron: Laat, G. de (2011), Zoo prôte wèij in Nuejne mi mekaâr, Nuenen
koning , kuuening , (mannelijk) , koning
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
koning , kôoning , zelfstandig naamwoord , koning; Cees Robben: dan wil ik kôoning zèèn; Dialectenquête 1876 - den könning is rêk (ö van dörpel); Weijnen, Dialectatlas van Noord-Brabant (1952): ;  de kôoning zene zoon is ók sòldaot gewist; Boutkan - Het stadsdialekt van Tilburg: klank- en vormleer (1996): ;  (blz. 23) kôoning
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant
koning , konningske , zelfstandig naamwoord , koninkje; verkleinwoord van konning; WBD III 4,2:165 lemma Mannetje van de meikever - Dit lemma bevat de specifieke benamingen voor het mannetje van de meikever. Vele respondenten noemen de grotere voelhorens als een onderscheidend kenmerk. mulder – zeldzaam in Tilburg; koninkske – zeldzaam Tilburg
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant
koning , keuning , keuninge , keuningske , koning
Bron: Arts, Jan (2015), Brónsgreun Bukske, Editie Veldes dialek, Velden.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal