elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: krammen

krammen , [van een kram voorzien] , kremmĕn , van een kram voorzien.
Bron: Ebbinge Wubben, C.H. (1907), ‘Staphorster Woordenlijst’, in: Driemaandelijkse Bladen 6, 61-94
krammen , kramme , werkwoord , een kram in de neus van een varken bevestigen (KRS: Hout) Zie hoofdstuk 4, punt 6: het vee . Ook in de Vechtstreek (Van Veen 1989, p. 80). Van Dale (1992, p. 1546) kent wel het werkwoord krammen , maar merkwaardigerwijs niet het zelfstandig naamwoord waar dit van afgeleid is, althans niet in deze betekenis.
Bron: Scholtmeijer, H. (1993), Zuidutrechts Woordenboek – Dialecten en volksleven in Kromme-Rijnstreek en Lopikerwaard, Utrecht
krammen , krammen , krampen, kraampen , zwak werkwoord, overgankelijk , Ook krampen (Zuidoost-Drenthe), kraampen (Zuidwest-Drenthe, noord) = 1. een kram aanbrengen De buurman mus komen um de zwienen te krampen (Bco), Veurdet oe ’t roof van de klompe brek, muj hum krammen (Mep) 2. (snel) gaten dichten (Zuidwest-Drenthe, zuid, Zuidoost-Drents zandgebied) Kramp mij de hoze even bij elkaar trekken i.p.v. stoppen (Pdh) 3. kramp veroorzaken (ov) Het kramde hum wat in de börst, toen e aal het volk zag (ve)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
krammen , krammen , werkwoord , krammen
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
krammen , krammen , werkwoord , vastmaken met een of meer krammen, zie kramme, ook: krammen aanbrengen
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal