elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: krang

krang , krang , krang, omgekeerd. De koussen krang aantrekken = het binnenst buiten. Op veluwe, en elders in de binnenprovintien. Ook bestendig in Drenthe.
Bron: Berg, A. van den en H.J. Folmer (1774-1776), ‘Veluws en Drents uit de 18e eeuw’, uitgegeven door K. Heeroma in: Driemaandelijkse bladen 12 (1960), 65-83, 97-116.
krang , krang , het binnenste buiten gekeerd. Hi hef de kouzen krang anne, hij heeft de kousen omgekeerd aan. Eng. crank, het omgebogen end der as in een werktuig, om het om te draaijen.
Bron: Halbertsma, J.H. (1835), ‘Woordenboekje van het Overijselsch’, in: Overijsselsche Almanak voor Oudheid en Letteren 1836, Deventer: J. de Lange.
krang , krange , verkeerd, in alle beteekenissen. AS. cranc (Nederl. krank) = bouwvallig, gebrekkig, zwak; MHD. crank, krank = zwak, armzalig, slecht, gering, zwak, lijdend, ziek; MNederl. krank, kranc = zwak, gering, klein, ellendig, en ook de latere beteekenis van: ziek, krank. – krange heeft dus de oorspronkelijke beteekenis het best bewaard.
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
krang , krang , (bijvoeglijk naamwoord) , verkeerd, binnenwaardsch; krange kant van een kleedingstuk, binnenzijde.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
krang , krang , verkeerd, averechts; ie hebt dĕ klompĕn krang an.
Bron: Ebbinge Wubben, C.H. (1907), ‘Staphorster Woordenlijst’, in: Driemaandelijkse Bladen 6, 61-94
krang , krange , Ook wel: kreng. Verkeerd. De krange kante. H(i)ee had zîn jas krange anetròkken, d.i. het binnenste buiten.
Bron: Draaijer, W. (2e druk 1936), Woordenboekje van het Deventersch Dialect, Deventer: Kluwer.
krang , krång , verkeerd, averechts. De krånge kaonte: de averechtse kant
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
krang , krang , bijvoeglijk naamwoord, bijwoord , verkeerd om. De krange hùere trekng, niet mee willen werken, zich verzetten; de krange skoone an hebm, de krange musse op hebm, krang in n ros wean, slecht geluimd zijn
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
krang , krangs , waers.
Bron: Kuipers, Cor e.a. (1989), È maes inne taes. Plat Hôrster, Horst.
krang , krange , 1. binnenstebuiten. 2. tegen de draad in. 3. slecht gehumeurd.
Bron: Bos-Vlaskamp, G. e.a. (1994), Olster woorden, Olst.
krang , krange , 1. binnenste buiten, verkeerd om; 2. tegen de draad in.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
krang , krang , kreng, krenge, krange , bijvoeglijk naamwoord, bijwoord , (Zuidoost-Drenthe, Midden-Drenthe, Zuidwest-Drenthe, zuid). Ook kreng (Zuidoost-Drents zandgebied, bet. 1.), krenge (Zuidwest-Drenthe), krange = 1. binnenste buiten Wat hef zij de kleren krang an (Oos), Aj non de krange kaant hen boeten doet, dan zöt het jassie der nog aordig schier oet de binnenkant (Hijk) 2. slecht gehumeurd, dwars (Zuidoost-Drents zandgebied, Zuidwest-Drenthe) Wat bi’j krang, ij bint zeker met het verkeerde bien oet ’t bedde stapt (Sti), Hij is zo krange as het achterende van een varken (Ruw), Hij is altied krange en verkeerd dwars (Zdw) 3. verkeerd, fout (Zuidwest-Drenthe, Midden-Drenthe) Dat zaekie dat giet krenge (Dwi), ...zit krange (Hgv), Die wol het krange been in de klompe stikken (Hol)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
krang , krange , 1. scheef. Mu-j em d’ogen ies krange in de kòp zîên ebben! ‘Moet je hem eens rare ogen zien hebben!’; 2. binnenstebuiten, omgekeerd (Kampereiland, Kamperveen); 3. averechts (bij breiwerk); 4. kwaad, dwars. IJ is krange in de kòp ‘hij is kwaa
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
krang , krange , 1. verkeerd, niet passend. Aj krange aozn heb, wint dan mar. 2. niet welwillend, dwars. Altied dwars, altied krange, hie zal oe nooit geliek geevm. 3. tegengesteld, de verkeerde zijde. De krange kante was baovm. Iej heb de kousn krange anetrökkn.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
krang , kringe , kring, krenge , bijvoeglijk naamwoord , (van kledingstukken) krang: binnenstebuiten
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
krang , krange , krang , (bijvoeglijk naamwoord, bijwoord) , binnenstebuiten, averechts, achterstevoren. IJ ef zien shirt krang an.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
krang , krang , krange, kraang , 1. binnenstebuiten; 2. verkeerd, slecht gehumeurd; 3. niet goed in orde, slecht; krang in het lief, ziek; krangkoppig, dwars; het zit hem kraang, het zit hem niet lekker.
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.
krang , krang , bijwoord , binnenstebuiten (Land van Cuijk)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren
krang , krangs , verkeerd, tegendraads, tegenovergesteld , Dien meining is krangs tieëgenuuever die vanne res(t).
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal