elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: kranselen

kranselen , [zeuren] , kranseln , zeuren, zaniken.
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
kranselen , kransĕlĕn , babbelen.
Bron: Ebbinge Wubben, C.H. (1907), ‘Staphorster Woordenlijst’, in: Driemaandelijkse Bladen 6, 61-94
kranselen , kraanzeln , kranseln , zwak werkwoord, (on)overgankelijk , (Zuidoost-Drents zandgebied, Zuidwest-Drenthe, Midden-Drenthe). Ook kranseln (Zuidoost-Drents veengebied) = 1. zuiveren met de wan, door de wan heen en weer te bewegen Aj an het wannen bint, muj zoe nou en dan ies kraanzeln (Bro), De boer stund ien de banderhoek de rogge te kraanzeln (Ruw), Hij mus lang kranseln um het koren schoon te kriegen (Bov), Erpel kraanzeln de aardappelen op een zak heen en weer bewegen door beurtelings de beide einden op te heffen, zodat het zand eraf gaat (Sle), Erpel schudden ze in de körf, dat was ok kraanzeln (Emm), zie ook schonen 2. zeuren, zaniken (Zuidwest-Drenthe, zuid) Lig toch niet altied te kraanzeln, het kun wel veule minder wèzen heur (Hgv) 3. krabbelen (Zuidwest-Drenthe, noord) Hij kraanzelt aordig terogge (Die)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
kranselen , kraanselen , (Gunninks woordenlijst van 1908) talmen
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal