elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: kranselkont

kranselkont , kransĕlkontĕ , kletskous.
Bron: Ebbinge Wubben, C.H. (1907), ‘Staphorster Woordenlijst’, in: Driemaandelijkse Bladen 6, 61-94
kranselkont , kraanzelkont , kraanzeldeuze, kraanzelgat, kraanzelpot, kraanzelz , de , (Zuidoost-Drents zandgebied, Zuidwest-Drenthe, Kop van Drenthe, Midden-Drenthe). Ook kraanzeldeuze (Zuidwest-Drenthe, noord), kraanzelgat (Kop van Drenthe, Zuidwest-Drenthe, zuid, Zuidoost-Drents zandgebied), kraanzelpot (Zuidwest-Drenthe, zuid), kraanzelzak (Zuidwest-Drenthe, zuid, Midden-Drenthe) = iemand die voortdurend klaagt, zeurpiet, maar ook Een kraanzelkonte is een vrouwe, die mar zo wat raak kletst (Hav)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal