elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: krap

krap , [wervel] , krappe , (vrouwelijk) , wervel. Ook krabbe.
Bron: Halbertsma, J.H. (1835), ‘Woordenboekje van het Overijselsch’, in: Overijsselsche Almanak voor Oudheid en Letteren 1836, Deventer: J. de Lange.
krap , krap , (bijvoeglijk naamwoord) , naauwsluitend, strak, naauwelijks toereikend. Het zit er krap om, het staat er maar krap voor, de man heeft het krap.
Bron: Bouman, J. (1871), De Volkstaal in Noordholland, Purmerend.
krap , krappe , voor: kruk aan eene deur. Ook: sluiting van eene deur of van een venster, somtijds enkel bestaande in een houtje boven de deurklink; ook Gron. voor: deurkruk, en ook een klampje, dat draaibaar is en tot afsluiting dient. Zegsw.: hij hef de krappe al toe edraai (of: too edane), zooveel als: hij is reeds overleden.
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
krap , [oliekoek] , krappen , euliekrappen , oliekoeken.
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
krap , krappe , (vrouwelijk) , wervel.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
krap , kripke , zie: fuut.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
krap , krap , (bijwoord) = eng, nauwsluitend, niet ruim genoeg, van kleederen; dei jàpon zit krap = dat kleed is te nauw; ʼt komt nijt krap = ʼt steekt zoo nauw niet, ʼt komt niet op eene kleinigheid aan; zij hebben ʼt moar krap = verkeeren in behoeftige omstandigheden; ʼt komt ʼr krap om = ieder krijgt maar een gering deel, men kan nauwelijks rondkomen; krap behoesd = nauw behuisd; ʼk bin krap bie geld = ik ben schraal bij kas. – (v. Dale: krap = nauwelijks, pas, tenauwernood; krap meten = nauwkeurig meten, tenauwernood de maat geven; knap = nauw, engsluitend = welgemaakt; bekwaam, geschikt, vlug; verdienstelijk; Kil. knap = vlijtig, vlug, vaardig, gereed, gezwind, levendig, werkzaam, frisch, vroolijk, blijmoedig; Oostfriesch knap = kort, klein, gering, beperkt, eng; nauw, dicht bij, snel, gezwind, duidelijk, best, karig, nauwelijks, enz. Nedersaksisch krapp = schaarsch; eng; Noordfriesch knap = karig, Hoogduitsch knapp = eng, nauwelijks. – krap, voor: knap, van: knijpen = klemmen, knellen, drukken, samenpersen, in het nauw brengen, tot eene kleinere ruimte beperken. (Van de beteekenis: knippen = snijden, door het knijpen van de deelen eener schaar, laat zich gereedelijk die van: knap = bekwaam, enz. afleiden.)
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
krap , krap , kruk aan eene deur of alleen een houtje dat kan draaien en tot sluiting eener deur dient, Drentsch krappe. – Oud-Hoogduitsch crapo, crapho, enz., Middel-Hoogduitsch krapfe, enz. = haak, klamp.
krappen, ijzeren toestel met scherpe punten, die met leeren om den voet bevestigd of aan de hakken vastgeschroefd worden, om het glijden te voorkomen; Oostfriesch krappe, îskrappe.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
krap , krap , (bijvoeglijk naamwoord, bijwoord) , Schraal, eventjes. D(i)ee mensen hebt ʼt tégenswoordig heel krap. Dat stük bòtter is maor krap vîf pond. Vgl. schrao. Ook Gron.
Bron: Draaijer, W. (1896). Woordenboekje van het Deventersch Dialect. ’s-Gravenhage: Martinus Nijhoff
krap , krappe , Wervel aan een deur, klamp aan een kerkboek. Zie ook: äolîkrappe. Dr. en Gron. in beide bet.
Bron: Draaijer, W. (1896). Woordenboekje van het Deventersch Dialect. ’s-Gravenhage: Martinus Nijhoff
krap , krap , (bijwoord) , Zie de wdbb. Nauw, nauwsluitend, schaars, schraal. || Dat lijfie is me te krap (nauw). ’t Zit zo krap (nauwsluitend). Me jas wordt te krap, as ik niet oppas scheurt-i nog uit. ’t Is wel wat krap. Neem ’et goed niet te krap (schraal). Ik zit op ’et ogenblik ’en beetje krap (schraal in het geld). Moet ’et mit twee dagen klaar, dat is wel wat krap. ’t Is krap an (’t is net aan, ’t is ternauwernood). – Bij schippers. Krap in de wind zeilen, zeilen met de wind bijna recht tegen. – Het water staat krap, het water staat kort, is gevaarlijk. Vandaar ook krap water, te weinig water. || We hadden veul last van krap water. Zy hebben op de gehele reys, diergelijk van Krap-water en holle Zee noyt gehadt (nl. bij storm), Reys na de Oost-Ind., 28 vᵒ. – Vgl. krappig. Zie ook op verkrappen.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
krap , krab , krap , (krap) , (zelfstandig naamwoord vrouwelijk) , Meerv. krabben; verkl. krappie. – 1) Boekslot, kram. || Ik heb gouwe krabben an me kerkboek. – Evenzo krap, meerv. krappen. 2) Aan sommige molenraderen (krabbelraderen; zie aldaar). Schuine tanden, waarin een haak (krabbelaar, krabbelijzer) grijpt, die daardoor het rad telkens een schreef verder doet rondwentelen. – In een oliemolen bevinden zich 50 krabben aan het schelrad. Bij iedere slag van de haai (hei) grijpt de krabbelaar een krappie verder. Bij de 50ste slag verschrikt (verspringt) de tuimelaar en brengt de schel in beweging, die de blokmaalder waarschuwt, dat de loshaai in werking gebracht moet worden, omdat de koeken het vereiste aantal slagen hebben gehad. – Overdr. is een krappie ook een kleinigheid, een weinig. Vgl. krik II. || Je moeten ’em nog ’en krappie geven, hij is nog ’en paar minuten na (van een klok, die gelijk gezet wordt). Die jas is ’en krappie te lang. Maak ’et lijf (van de japon) nog ’en krappie nauwer. Gaan ’en krappie verder staan. – Vgl. krapstok. Krab, krap, hangt ongetwijfeld samen met Mnd. krappe, haak, klauw, Oost-Fri. krappe, ijsspoor, Ohd. chrâpfo, haak, klem, klauw. Vgl. verder FRANCK op krap.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
krap , krap* , 1, bij v. Dale = kram of boekslot.
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
krap , krap* , 2, Hoogduitsch knapp = eng, nauwelijks; krap en krapjes bij v. Dale = nauwelijks, zuinig; zoo ook “krap aan”, “krapjes aan.”
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
krap , krappĕ , houtje waarmee men bij wijze van grendel een deur sluit.
Bron: Ebbinge Wubben, C.H. (1907), ‘Staphorster Woordenlijst’, in: Driemaandelijkse Bladen 6, 61-94
krap , krap , (bijvoeglijk naamwoord, bijwoord) , Schraal, eventjes. D(i)ee mensen hebt ’t tégenswoordig heel krap. Dat stük bòtter is maor krap vîf pond. Verg. schrao. Ook Gron.
Bron: Draaijer, W. (2e druk 1936), Woordenboekje van het Deventersch Dialect, Deventer: Kluwer.
krap , krappe , Wervel aan een deur, klamp aan een kerkboek. Zie ook: äolîkrappe. Dr. en Gron. in beide bet.
Bron: Draaijer, W. (2e druk 1936), Woordenboekje van het Deventersch Dialect, Deventer: Kluwer.
krap  , krap , ook weinig waarde. Hae zit ter krap bej, hij heeft weinig geld.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
krap , krap , streep.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
krap , krap , nauw. Ån de krappe kaonte
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
krap , krappe , vrouwelijk , krappen , kräppien , draaihoutje, sluiting voor deuren, vensters e.d., sluitmiddel van goud of zilver aan kerkboeken. ’n Krappenbouk: kerkboek; Ne bibel met goldene krappen
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
krap , krappe , zelfstandig naamwoord, vrouwelijk , krapn , kràpken , klamp
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
krap , krapke , krappie , houten deursluiting
Bron: Steenhuis, F.H. (1978), Stoere en Olderwetse Grunneger Woorden, Wildervank: Dekker & Huisman
krap , krap , bijvoeglijk naamwoord en bijwoord , in de zegswijze ’t skiet krap, het is niet ruim. – Krap zitte, weinig geld of voorraad hebben, armoe lijden. – Ze krap meenemen, flink meedoen, zorgen dat men niet te kort komt, het onderste uit de kan halen. – ’t Niet te krap steke, niet te precies of te veeleisend zijn. – D’r krap bai langs gaan. 1. erg zuinig of gierig zijn. 2. zeer precies zijn. – Krap an, maar net, net voldoende, op het nippertje. – Zet ’t nou niet te krap om, advies om voldoende geld mee te nemen, voldoende in te slaan, op tijd te vertrekken e.d.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
krap , krappe , bijvoeglijk naamwoord , in de zegswijze ’t was krappe sokke, er was maar net voldoende, het ging maar net, het was op het nippertje.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
krap , krappe , krabbe , houten blokje dat gebruikt wordt als afsluiting van een deur.
Bron: Bos-Vlaskamp, G. e.a. (1994), Olster woorden, Olst.
krap , krappe , houten blokje gebruikt als afsluiting van een deur.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
krap , krappe , de , krappen , (Zuidwest-Drenthe, zuid) = oliebol, z. ook euliekrappe
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
krap , krap , krappies , bijvoeglijk naamwoord, bijwoord , Ook krappies (Zuidwest-Drenthe, noord) = 1. krap Dat truigien zit mij veul te krap (Bor), Ien dei weg zit ein krappe bocht (Bov), Wij zit krap in het geld (Oos), Ze geeft daor maor krappe maote heur! (Hgv), Die mensen hebt het krap (Ass), ...een krap bestaon armoedig (Schn), De penningmeester zit krap bie kas (Bco), ...an kas (Hgv), Het giet weer op ’n krappe tied an (Klv), Die koe had van die krappe horens naar binnen gebogen (Bui), ...daorum hewwe der een stokkie of ezaagd (Eli), Die jurk is oet de lap stof kommen, maor het was krap wark kon net (Eke) 2. amper Zij kunden maar krap rondkomen (Hol), De zael was mor krappies bezet (Die), Der was krap volk in de kerk (Row), Hij is krap eerlijk (Die)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
krap , krap , krappe, krabbe , de , krappen , (Zuidoost-Drenthe, Noord-Drenthe). Ook krappe (Zuidoost-Drents veengebied, Zuidwest-Drenthe), krabbe (Zuidoost-Drents veengebied) = 1. houten sluiting, sluithout De peerdeklap wuur vastzet met ’n krappien (Sle), Vrogger hadden de butendeuren ’n klinke maor de binnendeuren en de kastedeuren hadden ’n knoppe of krukke mit an de aandere kaante ’n krappe (Hgv), De krappe toedreien sterven (ov) 2. slot van een kerkboek of bijbel De krap van een kerkbouk was vaok van gold of zulver (Pei) 3. haak aan de ladder van een wagen voor het bevestigen van de ponderboom (Zuidoost-Drents zandgebied, Zuidwest-Drenthe, zuid) Maak de achterliende goed vaste an de krappe, det mij de boel niet lösschöt (Ruw) 4. verdikking op hoorn van een rund (Zuidwest-Drenthe, noord) Hij hef al een paer krappies an de hoorns is al oud (Dwi)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
krap , krap , bijvoeglijk naamwoord , krap
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
krap , krappe , kräppien , 1. eenvoudige houten vergrendeling; 2. Gunninks woordenlijst van 1908: boekslot. Ook: kräppien
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
krap , kräppien , krappe , 1. boekslot van een bijbel; 2. kleine beurs; 3. houten grendeltje (Kampen). Ook: krappe
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
krap , krappe , slot. (vaak houten draaislot maar ook gouden/zilveren klikslot op bijbels) Daor zat ’n goldn krappe an de biebel
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
krap , krappe , oliebol. Met oldejaorsaomd wordt d'r pufferties en euliekrappm ebakkn.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
krap , krappe , zelfstandig naamwoord , de; 1. houtje op het kozijn van een deur, raam, luik e.d. dat men voor die deur etc. draait zodat deze niet geopend kan worden of niet gemakkelijk open valt 2. elk der krappen, ringen op de hoorn van een rund, nl. met behulp waarvan men de leeftijd kan vaststellen
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
krap , krap , bijvoeglijk naamwoord, bijwoord , 1. erg nauw zittend, nauw sluitend 2. met te geringe ruimte om iets te doen, met te weinig speelruimte e.d. 3. van te geringe afmetingen 4. in een klein aantal, met wel erg weinig exemplaren, van een haast te geringe hoeveelheid 5. armoedig 6. niet geheel, nauwelijks
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
krap , krap , bijvoeglijk naamwoord , klein, nauw, nauwsluitend, schaars, schraal We zitte te krap We hebben weinig geld Ze neemt ’t niessôô krap Ze neemt het niet zo nauw We motte wat krappies an doen We moeten een beetje zuinig aan doen
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
krap , krap , (bijvoeglijk naamwoord) , krap. Dät was krap an! ‘dat lukte nog maar net!’
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
krap , krappe , 1. sluiting van een kerkboek; 2. primitieve afsluiting; 3.haakje waarmee een deur of raam op een kier wordt gezet.
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal