elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: krodde

krodde , krodde , platzaad of perzikbladige Duizendknoop, Polygonum Persicaria. v. Hall Neerl. Plantensch. p. 188.
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
krodde , kròdde , (vrouwelijk) , [weinig gebruikelijk] onkruid.
Bron: Gallée, J.H. (1895), Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect, aanhangsel Twents
krodde , kròdde , (vrouwelijk) , onkruid, ook herk genoemd.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
krodde , krodde , krod, krödde , “De namen krodde, herik, gele kiek worden dikwijls door elkander genomen, hetwelk veel verwarring geeft. Krodde, sinapis arvensis, een zeer algemeen onkruid op kleibouwland, heet dikwijls herik, herk, herrik, hederik, herderik of hering in Zuid-Holland en vele streken van Gelderland; krod of krodde in Noord-Holland; kiek of keek bij Hattem en elders aan den IJselkant; gele merk, in het Westland, in Limburg robert; gele kiek in het Oldampt, doch overigens in de provincies Groningen en Friesland krodde. Zij heeft in bloem veel van de gele mosterd en de herik (Raphanies Raphanistrum) of wilde radijs, ook wel eens krodde of gele kiek geheeten, het best te onderscheiden aan hare rolronde of eenigszins kantige hauw of met zeer korte nederwaarts gewende haartjes bedekt is, en waarin fijne, zwartbruine, op zomerkoolzaad gelijkende zaden.” v. Hall Neerl. Plantensch. bl. 29 e.v. Oostfriesch krodde, ook krôdde = eene soort van Hederich (herik), als, krôk en keddik, kiek. Zie ook: roodschōnk.
krödde, het zaad van het Kleefkuid of stekelig walstroo, Gallisum Aparine, dat veel in de gerst en ook in de gort voorkomt. v. Hall. Neerl. Plantensch. bl. 105.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
krodde , krod , (zelfstandig naamwoord vrouwelijk) , Zekere plant; een onkruid op bouwland, Lat. Sinapis arvenis. Het zaad gelijkt veel op bruin mosterdzaad, doch de korrel is iets groter. Als er krod in het mosterdzaad zit en dit wordt meegemalen, is de mosterd onbruikbaar. Als er krod door de mosterd gemalen wordt, raakt deze in gisting. De plant heet ook elders in N.-Holl. krod of krodde, en in Gron. krodde, in Friesl. kroade; vgl. VAN HALL, Landh. Flora 19.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
krodde , kroddĕ , naam van een onkruid.
Bron: Ebbinge Wubben, C.H. (1907), ‘Staphorster Woordenlijst’, in: Driemaandelijkse Bladen 6, 61-94
krodde , krodde , [krǫdǝ] , vrouwelijk , perzikkruid (soort onkruid)
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
krodde , krôdde , 1. perzikkruid. 2. herik ofwel kiek
Bron: Steenhuis, F.H. (1978), Stoere en Olderwetse Grunneger Woorden, Wildervank: Dekker & Huisman
krodde , krodde , zelfstandig naamwoord de , Herik, wilde mosterd (verouderd). Mogelijk is het woord verwant met kruid. Zie het N.E.W. onder krodde-2.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
krodde , krodde , krödde, krorre, krotte , de , (Zuid-Drenthe, Midden-Drenthe, Kop van Drenthe). Ook krödde (Zuidwest-Drenthe, zuid, Zuidoost-Drents zandgebied, Veenkoloniën, Midden-Drenthe), krorre (Midden-Drenthe), krotte (Zuidoost-Drents veengebied) = 1. naam voor verschillende planten als Jezuskruid, bitterplant, akkerhout, perzikkruid of veenwortel, en melde Tussen de eerappels stiet nog wel ies krodde, het wörde nog wel ies op de eerappels mit ekaokt veur varkensvaor (Ruw), Krodde is lastig onkroed, veural op veenachtige grond (Bov), Melle is hoge en krodde wiert wat meer (Zdw), zie ook bittertuug 2. zaad van onkruid (Zuidoost-Drenthe) Krodde is zaod van onkruud (Oos) 3. doppen van boekweit (Zuidoost-Drents zandgebied) Aj boekweit trapten, dan wuurden die bolsterties ok krödde nuumd (Sle)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
krodde , krodde , zelfstandig naamwoord , de; 1. bep. onkruid: melde 2. duizendknoop 3. vogelwikke
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal