elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: kroes

kroes , kroes , Sprw. Kroes haor, kroeze zinnen, ook bij v. Dale. Het Gron. voegt er nog bij: Kroes van boeten en kroes van binnen.
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
kroes , krûs , (bijvoeglijk naamwoord) , kroes, sierlijk.
Bron: Gallée, J.H. (1895), Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect, aanhangsel Twents
kroes , krûs , (bijvoeglijk naamwoord) , kroes, sierlijk.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
kroes , krous , (onzijdig) in geschrifte kroes, voor een 60 jaren de maat voor melk, enz. en = 1⅓ liter. Op sommige plaatsen wordt de gezifte kalk (wittelkalk) nog bij de kroes verkocht. G. Japix kroes; Deensch, IJslandsch kroos, kruus, Engelsch cruse = halve kan; v. Dale: kroes, oude vochtmaat van twee mengel. Ons krous = vier oort.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
kroes , kroes , (zelfstandig naamwoord), waarvan meestal het meervoud kroezen of het verkleinwoord kroeske gebruikt wordt = vouw, plooi. Oostfriesch krüse, en: krüsel; Deensch kroese = vouw, en: in vouwen leggen; Hoogduitsch Krause, Kräusel = plooi, plooisel. – Ook voor: rimpels; hij trekt kroezen boven de oogen = er komen rimpels in het voorhoofd.
[verkleinvorm] kroeske, plooiseltje dat tot opschik dient.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
kroes , kroes , in den deun, wanneer men kleine kinderen op de knie laat paardjerijden: Vôrt ol peertje noa besvoars hoes; Peertje, loop nijt al te kroes, dat is niet te hard. Spreekwoord: Kroes hoar, kroeze zinnen (ook Drentsch en bij v. Dale), hier met de toevoeging: Kroes van boeten en kroes van binnen. Oostfriesch Kruse hâr un kruse sin, dâr sit de düfel drêmal in. – hij ’s zoo kroes as’n loes (luis) = hij is kregel, een weinig lichtgeraakt; zij wordde d’r kroes om = zij werd er een weinig boos om. – Van sluik haar zegt men: ’t is zoo kroes as’n bessemstoal; ook Noordfriesch. – Geldersch kroes = fier; Hoogduitsch kraus, Nederlandsch kroes = gekruld.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
kroes , kroes , (zelfstandig naamwoord) , Verkl. kroesie. Een zakje, gemaakt van een puntig opgerold stuk papier; ook een geplakte papieren zak. || Ik zel ’et maar in ’en kroes doen. Een kroesie peperemuntjes. De kroes is ’eskeurd en nou is de suiker der uit-elopen. Hij vergaart sigarekroesies. – Het woord zal wel samenhangen met het bijvoeglijk naamwoord kroes, gekruld, ineengedraaid.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
kroes , kroes , (bijvoeglijk naamwoord) , Zie de wdbb. – Van personen ook: flink, bij de hand, degelijk. || ’t Is ’en kroes ventje. Jan heb ’en kroes wijf ’etrouwd.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
kroes , kroes* , 1: Hoogduitsch kraus = kroes (2) bij v. Dale.
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
kroes , krous* , kroes (1) bij v. Dale.
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
kroes , kroes , gevuld in ’t midden. Wat hef die dĕ rokken mooi kroes uitstaon.
Bron: Ebbinge Wubben, C.H. (1907), ‘Staphorster Woordenlijst’, in: Driemaandelijkse Bladen 6, 61-94
kroes , krus , Ferm, flink, netjes. Z(i)ee liepen wat krus langes de weg. Wat zache d’r krus ü̂t met zîn nîje peksken. Zie: krü̂derig.
Bron: Draaijer, W. (2e druk 1936), Woordenboekje van het Deventersch Dialect, Deventer: Kluwer.
kroes  , kroes , krulhaar.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
kroes , krůs , krullerig. ook: plooi in een kraagje
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
kroes , kroes , zelfstandig naamwoord, bijwoord , netjes
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
kroes , kroes , oneffen, gekruld
Bron: Steenhuis, F.H. (1978), Stoere en Olderwetse Grunneger Woorden, Wildervank: Dekker & Huisman
kroes , kroes , bijvoeglijk naamwoord , Levendig, parmantig, grappig. | ’t Is ’n kroes kirreltje. Mooie, kroes glimmende peerde. 2. Flink, bij de hand. | Hai het ’n kroes woif. Het woord is verwant met kroesen = krullen. Zie het N.E.W.onder kroes-2. Zegswijze erges kroes op weze, ergens trots op zijn.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
kroes , kroes , bijvoeglijk naamwoord, bijwoord , 1. gekruld Die hef mooi kroes haor (Odo), Oous moous is gooud kroes boerenkool is goed gekruld (Eex) 2. in kreukels (Zuidoost-Drents veengebied, Kop van Drenthe, Veenkoloniën) Wat is die boezeroen kroes (Klv) 3. rond en net (Zuidwest-Drenthe, noord, Midden-Drenthe, N:Zuidwest-Drenthe) Het is zo’n mooi kroes struukie (Die), zie ook droest
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
kroes , kroes , krous , de , kroezen , Ook krous (Kop van Drenthe) = 1. (drink)beker, kroes Ik zal even een krous kalk haolen (Row) 2. kreukel, plooi (Kop van Drenthe, Zuidoost-Drents zandgebied) Het rabattien in kroesies trekken in plooitjes (Sle), Aj lang met het gat op de katoenen jurk zitten, wordt het allemaol kroesen (Nor), Mien boezeroen zat hielemaol in de kroes (Odo), De auto zat in de kroes (Odo), Trek de neers is wat in de kroezen schuif eens wat op (Pdh) 3. rouwroosje Nao het overlieden van zien va dreug Gèert een kroesie op de pette (Hijk) *Een holten hoesien / ’n Kopern kroesien / ’n Dreiertien in het gat / Rao rao wat is dat? antw. een ouderwetse koffiemolen (Sle), zie ook bij kluus
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
kroes , kroes , bijvoeglijk naamwoord , kroes
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
kroes , kroes , zelfstandig naamwoord , de; kroes: drinkbeker
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
kroes , kroes , zelfstandig naamwoord , et; kroeshaar
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
kroes , kroes , bijvoeglijk naamwoord , 1. kroezig (van haar), sterk ineen gekruld
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
kroes , kroes , kroeske , kom, kopje van metaal
Bron: Melis, A. van (2011) Bikse Praot. Prinsenbeeks Dialectwoordenboek. Prinsenbeek: Heemkundekring ‘Op de Beek’
kroes , kroes , wijd uitstaand.
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal