elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: kroon

kroon , [kroonkraan] , krûne , z. krûsekrane.
Bron: Gallée, J.H. (1895), Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect, aanhangsel Twents
kroon , króne , (vrouwelijk) , krónen , kroon.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
kroon , krûne , (vrouwelijk) , kroon? In de samenstelling krûnekrane, kraanvogel, voorkomende in het liedje: “Krûnekrane Swikle zwane / W(i)ee wil met nao England varen, etc.” Vgl. Woeste, Westfäl. Wrtb. P. 146, krûkrane, kranich en 147 krûnekrane. Wellicht is met krûnekrane te vergelijken de kroonvogel of kroonreiger.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
kroon , kroon , akker-boterbloem, ranunculus arvensis, Groningen Friesland v. Hall Neerl. Plantensch. bl. 5.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
kroon , kroun , kroune , (= kroon), in: iemand ’n kroun op ’t heufd zetten = de kroon van het hoofd nemen, schandvlekken. Het staat hier voor: doornenkroon en wordt bijna uitsluitend gebruikt met betrekking tusschen ouders en kinderen. – Ook wat de eer, roem of luister van iemand uitmaakt; bist ’n kroune van ’n wief, zei haar man, toen zij de veeren uit het bed had verkocht om jenever te kunnen koopen, nl. voor hun beiden.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
kroon , [toestel voor garen] , kroonĕ , toestel voor garen, V, 58.
Bron: Ebbinge Wubben, C.H. (1907), ‘Staphorster Woordenlijst’, in: Driemaandelijkse Bladen 6, 61-94
kroon  , kroeën , kroeëne , kruënke , kroon, ook kruin van boomen.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
kroon , kroune , vrouwelijk , krounen , kröuntien , kroon
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
kroon , kroone , zelfstandig naamwoord , kroonn , kruentjen , 1 kroon, 2 het mooiste van iets, 3 hoepel met pennen, bij ’t haspelen. De wichtr de kroone opzetn, zijn kinderen te schande maken door wangedrag
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
kroon , krone , kroon; * hi haalt mie de krone van de kop: hij maakt mij te schande
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
kroon , kroen , kroon, krone, kroun , de , (Zuidoost-Drents zandgebied). Ook kroon (Zuidoost-Drents veengebied, Noord-Drenthe, Zuidwest-Drenthe, zuid), krone (Zuidoost-Drents veengebied, Zuidwest-Drenthe, Veenkoloniën), kroun (Kop van Drenthe) = 1. kroon De keuning hef een kroon, de boer een pet (Eex), Hie spande de kroen (Sle), Dat was de kroen op het wark (Pdh), In het wedstriedschieten zal hij mij naor de krone stikken (Ruw), Iene een kroon op het heufd zeutten ophemelen (Odo), maar Hij hef zien olden ok ’n mooie krone op de kop zet te schande gemaakt, beschaamd (Klv), Hij hef de krone op de kop ekregen het deksel op de neus (Dwi), Ze hebt heur de krone van de kop ehaald haar naar beneden gehaald (Hgv), Het glèeit as een Grunneger kroon soort appel (Gas) 2. naam voor bekronende of kroonvormige delen van bep. voorwerpen Een haspel en een kroen zint underdielen van een spinnewiel (Oos), De kroen van het rad is er of naaf (Scho), De krone op het kamnet kuifstuk (Die), Die olde kaste, daor zat een geweldige mooie kroon op (Hijk), Wat het die boom een mooie kroon kop (Eco), De tandarts hef mie ’n kroon op dei koeze zet (Bov), Het peerd hef een wond an ’t kroon bovenrand van de hoef (Dro)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
kroon , krone , (Gunninks woordenlijst van 1908) 1. kroon; 2. kruin
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
kroon , krone , kroon , zelfstandig naamwoord , de; 1. kroon van een vorst, ook als teken, zinnebeeld 2. regering 3. veelal met enig houtsnijwerk versierd, bovenste stuk van een kast, kuifstuk 4. kroonrand van de hoef van het paard 5. kop, naar buiten stekend deel, rand van de naaf van een wagenwiel 6. kroon ter vervanging van kies of tand 7. boomkruin 8. kroonluchter, of het deel daarvan waar de lichtpuntjes aan zitten 9. in Fraanse kroon bep. zachte appel, Grunninger kroon bep. oude duurzame handappel 10. aan een kroon in bet. 1 doen denkende bovenkant van een luidklok 11. bloemkroon 12. bep. munt of munteenheid: kroon
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
kroon , krôôn , zelfstandig naamwoord , krôône , krôôntjie , kroon
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
kroon , krone , (zelfstandig naamwoord) , 1. kroon; 2. kruin. Zie ook: kroene.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
kroon , kroon , kronen, kroen, kroenen, kruun , 1. kruin; 2. kale plek in een rieten of strooien dak; 3. kring, vlek.
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.
kroon , kroean , (vrouwelijk) , kroeane , kruuenke , kroon , Det spintj de kroean.
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
kroon , krôon , zelfstandig naamwoord , krontje , kroon; bladdragende takmassa; alle boomtakken samen; WBD kroon (v.d. paardehoef), ook genoemd 'krôonraand' of 'haorbaand', (Hasselt): 'hòrbaand'; Cees Robben – Wie krèègt laoter den grótsten krôon in den heemel?; WBD schèrkrôon (II:994) - scheerraam, grote haspel; ook: schèrraom, schirraom, schèèrmeule, haspelmeule genoemd; WBD krôon (II:1032) - kroon (soort haspel); ook: haspelkrôon, haspel, stèr; WBD krôonlètjes (II:1032) - kroonlatjes; ook; lètjes of krôonspèèle; WBD krôonpin (II:1032) - kroonpin; ook: pin of spil; WBD krôonblòk (II:1032) - kroonblok; ook: haspelblòk of type staander; WBD III.4.5:83 krôon - takken (collectief), ook genoemd kòp, gezwaaj, bundel of bussel takke. WBD III.4.3S85 kroon - boomkruin; krontje; verkleinwoord; kroontje
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant
kroon , kroeën , kroeëne , kruuenke , kroon
Bron: Arts, Jan (2015), Brónsgreun Bukske, Editie Veldes dialek, Velden.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal