elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: kruien

kruien , kruien , voor: draaien; de wind kruit (Westerkwartier) = de wind loopt om, draait; een molen kruien = de wieken naar den wind zetten. (De ui wordt uitgesproken als in: lui, spui, enz. en ’t Groningsche kui, mui, grui, enz.) Oostfriesch kröien = draaien, omdraaien, eene andere richting krijgen of geven, van den wind, van een’ molen, enz.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
kruien , kruien , (sterk werkwoord, transitief) , krood, gekroden of gekrooien , Zie de wdbb. Voortduwen of voorttrekken, vooral van een wagen. Vgl. kroden. || Wil ik je nag ’en endje kruien? Ik heb zo lank ’ekroden (met de kinderwagen gelopen), nou schei ik er uit. – Een molen kruien, hem verkruien, kruiende van stand veranderen en naar de wind zetten. || De wind schiet uit, ze bennen al an de molen te kruien. Ende in plaets dat men ander molens boven kruyt, salmen dese maken datmen hem onder mach kruyen met een staert (in sommige ouderwetse molens bevond zich nl. de inrichting om de kop te verkruien boven in de molen en geschiedde het kruien niet door middel van de staart), Hs. bestek watermolen (a° 1634), archief v. Assendelft. Vgl. kruiketting, kruirad, kruitouw, kruivloer en bovenkruier.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
kruien , kruiĕn , term van de molenaar, 35.
Bron: Ebbinge Wubben, C.H. (1907), ‘Staphorster Woordenlijst’, in: Driemaandelijkse Bladen 6, 61-94
kruien , krüien , [krüĭn̥] , kruien
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
kruien , kruun , werkwoord, zwak , kruien. t Wief kan dr mear oet kruun as hee met de waage kan inbrengn, de vrouw kan met kleinere uitgaven toch meer opmaken dan de man met zijn bedrijf verdient
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
kruien , gekrooje , gekruid (met een kruiwagen).
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
kruien , krùije , werkwoord , kruien. 1. De mölder krùijt de wiekes no de wènd. De molenaar draait de wieken naar de wind. 2. Jantje Woeste lot z’n kèèr trugöt krùije. Jan Woestenberg laat z’n kar achteruit rijden.
Bron: Naaijkens, J. (1992), Dè’s Biks – Verklarende Dialectwoordenlijst, Hilvarenbeek
kruien , kruun , 1. kruien van het ijs. 2. kruien b.v. met de kruiwagen. 3. in de war zijn.
Bron: Bos-Vlaskamp, G. e.a. (1994), Olster woorden, Olst.
kruien , kruun , kruun, ekruud , kruien.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
kruien , krooien , kroden, kruien, kronen , zwak werkwoord, (on)overgankelijk , (Zuid-Drenthe, Midden-Drenthe, Kop van Drenthe). Ook kroden (Noord-Drenthe, Zuidoost-Drents veengebied), kruien (Zuidoost-Drenthe, Zuidwest-Drenthe, zuid, Kop van Drenthe), kronen (ti) = 1. kruien Pak koor mor even, dan wil wij dat zaand even weg kroden (Dro), De törf moew der oet kruien, aans kuj der met gien wagen bijkommen (Oos) 2. moeizaam, langzaam rijden (Veenkoloniën, Zuidoost-Drents veengebied) Hai kroodt der over (Eco), Daor krooit hij ok weer hen (Eri), zie ook kaoren, krulen
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
kruien , kruuien , krûûn , kruien. Ook: Gunninks woordenlijst van 1908: krûûn, Gunninks woordenlijst van 1908: krulen
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
kruien , kruun , 1. kruien (werkwoord). Ik heb ekruud met de kruuwaagn. 2. kruien (werkwoord). ’t Ies is an ’t kruun. 3. beeldende uitdrukking voor iemand met geestelijke problemen. Hie is an ’t kruun met zien gedachn.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
kruien , krojen , kruien , werkwoord , 1. met een kruiwagen vervoeren 2. een kruiwagen voortduwen 3. moeizaam, slecht lopen 4. op de wind zetten van een molen
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
kruien , kruie , werkwoord , krui, krooi, gekrooie , 1. kruien, een molen naar de wind zetten De meule kruie De molen naar de wind zetten Ook kroie 2. kruien, met de kruiwagen vervoeren Hij wassôô zat dassem naer huis gekrooie hebbe Hij was zo dronken dat ze hem naar huis gekruid hebben
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
kruien , kruuien , (werkwoord) , kruuien, ekruuid , kruien met de kruiwagen.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
kruien , kruije , krój, gekrójje , kruien
Bron: Laat, G. de (2011), Zoo prôte wèij in Nuejne mi mekaâr, Nuenen


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal