elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: kussen

kussen , kussen , zoenen.
Bron: Panken, P.N. (1850) Kempensch taaleigen, Idioticon I, A-Z, Idioticon II, H-Z, red. Johan Biemans, 2010, Bergeijk.
kussen , küssen , (zwak werkwoord) , kussen.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
kussen , kussen , (zelfstandig naamwoord onzijdig) , Zie de wdbb. – In een oliemolen. Een houten blok, dat in de laad van het voor- en naslagsblok wordt geplaatst tussen de beitels en de ijzers welke het zaad persen. Vgl. laad, en zie Groot Volk. Moolenboek III, pl. 3-5.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
kussen , [onderdeel molen] , kussĕn , ond. molen, 37.
Bron: Ebbinge Wubben, C.H. (1907), ‘Staphorster Woordenlijst’, in: Driemaandelijkse Bladen 6, 61-94
kussen , kusn , zelfstandig naamwoord, onzijdig , plank, met leer overtrokken, om stenen op te vormen
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
kussen , kussen , het , kussens , 1. kussen Hij ging zitten en dee zuk een kussen achter de rugge (Erf), Mit het gat op het kussen zitten een goede baan hebben (Die), Aj gien kussentien hadden, deuden joe de kneien goud zeer knielkussen in de kerk (Bov), As der eerder een krans in een kussen, zat weur dei der oethaald en verbrand de boze geest mus der oet (Bco) 2. onderdeel van de paardezeel Het draogstuk van een peerzeel hef een kussen, die drukt op de schoft van het peerd, aans drukt het leer der zo stief op (Eex), Op het schoft zit twie kussenties, op elke kaant iene (Sle)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
kussen , kussen , werkwoord , kussen
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
kussen , kussen , zelfstandig naamwoord , kussen
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
kussen , kussen , kussem , zelfstandig naamwoord , et 1. kussen in een stoel, op een divan e.d., ook: hoofdkussen 2. elk der twee kussentjes die onderdeel zijn van het paardentuig en die contact voorkomen tussen het tuig en de rug, daar waar nl. gemakkelijk verwondingen kunnen ontstaan, soms ook wel met één kussen uitgevoerd, ook wel: bep. kussen tussen de borst van het paard en het tuig met hetz. doel 3. kleiner kussen anderszins, met andere functies, zoals speldenkussen en stempelkussen 4. vlezig, rond en onbehaard deeltje van de voet van een kat, hond en bep. andere dieren; kussentien, et 1. klein kussen in diverse bet. 2. bep. onderdeel van een ploeg, nl. op het ploegstel; men kan er de ploeg mee instellen: nl. hoger of lager
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
kussen , kussen , werkwoord , in Ie kun me de kont kussen je kunt me wat, het zal me een zorg zijn
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
kussen , kusse , uitdrukking , Hij zit oppet kusse Hij heeft het ver gebracht; Twêê gelôôve op êên kusse daer slaep d’n duuvel tusse Goede raad als jonge mensen van twee verschillende kerkgenootschappen verkering kregen
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
kussen , kussing , (zelfstandig naamwoord) , kussen (Gelderse Vallei).
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.
kussen , kösse , (onzijdig) , kösses , köske , (slaap)kussen
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
kussen , kösse , köstj, kösdje, geköstj , kussen
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
kussen , kusse , zelfstandig naamwoord, werkwoord , I zelfstandig naamwoord; kussen; hoofdkussen, het kussen waarop men slaapt; Lodewijk van den Bredevoort - Ze ha der haore los over et kussen liggen. Ons moeder ha van dè lange haor tot op der kont. (Uit: Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? - 2007); Frans Verbunt -  twee gelôove op êen kusse, daor slòpt de duuvel tusse; Dirk Boutkan (1996) - verkleinde vorm: kussetje; kussen waarop men zit; A.J.A.C. van Delft - Op éénen Vastenavend,/ Hier ne stoel en daar ne stoel, /Op iedre stoel een kussen. (Nieuwe Tilburgsche Courant - 9 maart 1929 - Van vroeger dagen 104: Kinderspelen 1); A.J.A.C. van Delft - Hij weefde al dit/ Hij weefde al dat/ En hij weefde 'n kussen al onder z'n gat... (Nieuwe Tilburgsche Courant - 23 januari 1930 -Van vroeger dagen 150: Kinder-rijmen); bij paarden; WBD kusses - vlees- en spieraanzetting links en rechts op de borst van een paard, ook genoemd 'schoft'; WBD hòmkusses - haamkussens (de vilten binnenbekleding v.h. haam); WBD kusses - (Hasselt) - zadelkussens (voor een paard); II werkwoord; kussen, zoenen; zwak werkwoord; Leo Heerkens - ... zal 'k oe wakker kussen, meidje? (Uit: DE NON; 1940); Frans Verbunt -  kusse meude gerust mar van et meekaniek moete afblèève; kusmokkis; samentrekking van kus me ook eens; Cees Robben - Kusmokkis (19621123 - complete tekst)
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal