elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: leg

leg , [legdarm van kip, laag garven] , leg , (onzijdig zonder meervoud) , lijf, draagzak, de baarmoeder van eene koe, een paard, een schaap of eenig ander zoogdier.
Bron: Bouman, J. (1871), De Volkstaal in Noordholland, Purmerend.
leg , legge , leg, lekg , de gezamenlijke schooven op den dorschvloer uitgespreid om te worden gedorscht; Gron. Geld. Oostfr. leg, legge; de leg anleggen = de schooven uitspreiden.
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
leg , legge , leg , de gezamenlijke schooven die op den dorschvloer worden uitgespreid en dan gedorscht, ’t zij met vlegels of met het dorschblok. De dagtaak van den daglooner wordt naar het aantal leggen bepaald. Drentsch, Oostfriesch legge, leg; Geldersch leg. West-Vlaamsch laag, lage. Bij landb. aantal schoven die men in eens op den derschvloer schikt om het graan uit te derschen. Fransch airée. (De Bo). Zie ook: den.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
leg , leg , (zelfstandig naamwoord onzijdig) , Bij vissers. Een plek waarvan de visser bij ondervinding weet dat er zich veel vis ophoudt. Synon. toom. || Er is ’en goed leg in die sloot. We zellen dat leg even halen (er met de schuit heengaan om daar de vis vandaan te halen).
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
leg , legge* , leg , vergel. den *.
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
leg , leggĕ , de laag rogge, die telkens op de deel wordt uitgespreid en gedorscht; laow dĕ leggĕ anleggĕn.
Bron: Ebbinge Wubben, C.H. (1907), ‘Staphorster Woordenlijst’, in: Driemaandelijkse Bladen 6, 61-94
leg , legge , zelfstandig naamwoord, vrouwelijk , leg’n , leg’sken , zoveel graan als in éénmaal op de deel gedorst kon worden
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
leg , lêgge , (ouderwets), een leg graan, erwten enz. om te vlegeldorsen
Bron: Steenhuis, F.H. (1978), Stoere en Olderwetse Grunneger Woorden, Wildervank: Dekker & Huisman
leg , lèg , zelfstandig naamwoord de , in de zegswijze de lèg steke, de baarmoeder die na het kalven of na het ‘ônen’ naar buiten is gedreven, weer in het lichaam steken. Vgl. Fries it lech. – De lèg hewwe, bedlegerig zijn, ziek zijn. –’n Lange lèg hewwe, lang vruchtbaar zijn, lang kinderen baren.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
leg , léch , èn de léch zin, aan de leg zijn, geregeld eieren leggen.
Bron: Crompvoets, H. en J. van Schijndel (1991), Mééls Woordeboe:k. Meijel: Medelo.
leg , legge , 1. laag garven op de deel om gedorst te worden. 2. legdarm van een kip.
Bron: Bos-Vlaskamp, G. e.a. (1994), Olster woorden, Olst.
leg , legge , een laag koren op de deel.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
leg , leg , de , het leggen Wij hebt de hoender goed an de leg (Oos), Wij hebt die kaste wat veraanderd, het is nou half lang half leg (Hgv), zie ook legge I
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
leg , legge , leg , de , leggen, legges , (Zuidoost-Drents zandgebied in bet. 1., Noord-Drenthe, Zuid-Drenthe, in bet. 2. tot 4.). Ook leg (Kop van Drenthe met rekking) = 1. het leggen Wij hadden de kukens al vro an de leg (Bor), Ze waren van de leg (Bov), zie ook leg I 2. legsel (Zuidoost-Drents zandgebied) As een hen ongeveer 14 eier had, had e de legge vol en gung e bruden (Sle) 3. cloaca, eileider van hennen Dei hen hef de leg oet, dan begunt ze vaok te kwienen (Vri), De henne lat de legge hangen (Hgv), (fig.) Wat hangt hum de legge lege! het kruis in de broek (Die)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
leg , legge , leg, legger, leggeveld , de , leggen , Ook leg (Kop van Drenthe met rekking, ti), legger (bet. 1:dva), leggeveld (bet. 2:Zuidwest-Drenthe, zuid) = 1. laag garven op de dorsvloer, hoeveelheid koren, die in één gang wordt gedorst Wij gungen iedere mörgen een legge dörsen op de deel (Bor), Een legge uutslaon dorsen (Wei), Een dubbele legge twee lagen naast elkaar (Zdw), Mit dörsen kuj een grote legge anleggen of een klaine (Eel), De legge umgooien umsmieten omleggen (Sle), ...opschudden (Vri) 2. pand tussen de baggerschotten dat volgemaakt moest worden (Veenkoloniën, Zuidwest-Drenthe, zuid, Zuidoost-Drents zandgebied), zie ook paand
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
leg , lège , (Gunninks woordenlijst van 1908) 1. eierstok van kippen; 2. zie legge
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
leg , legge , lège , (Kamperveen) laag korenschoven op de dorsvloer. Ook: Gunninks woordenlijst van 1908: lège
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
leg , legge , cloaca (kip). De kippe hef de legge uut.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
leg , leg , legge , zelfstandig naamwoord , de 1. het leggen van eieren 2. baarmoeder bij pluimvee
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
leg , legge , zelfstandig naamwoord , de; laag over de deel uitgespreide garven (om gedorst te worden)
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
leg , laeg , (van kippen) leg.
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.
leg , lèk , (mannelijk) , leg , De hoonder zeen vanne lèk aaf.
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
leg , lèg , zelfstandig naamwoord , in de uitdrukking: van de lèg af zèèn; kip die geen eieren meer kan leggen; vrouw die geen kinderen meer kan krijgen; Cees Robben – En as ik nog is ôôt trouw.. Dan moet ze nog goed in de vèère zitte en van de leg af zèèn ôôk... (19760130)
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal