elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: langwagen

langwagen , [hout aan een boerenwagen] , lankwage , (vrouwelijk) , hout, waardoor een boerenwagen verlengd wordt.
Bron: Gallée, J.H. (1895), Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect, aanhangsel Twents
langwagen , [verbindingsstuk van het voor- en achterstel van een wagen] , lankwagen , (onzijdig) , hout, waardoor een boerenwagen verlengd wordt.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
langwagen , lankwoagen , de boom (juffer of spier) die de beide stellen van een boerenwagen verbindt, waardoor een lange wagen gevormd wordt, en dient tot vervoer van boomen, balken, planken, enz. Ook voor dien geheelen toestel als voertuig. (Bij v. Dale: langwagen, verbindingsstuk van het voor- en achterstel van eenen wagen.) Overijselsch mallejan, Noord-Brabant oest.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
langwagen , lankwaagĕn , ond. wagen, V, 49.
Bron: Ebbinge Wubben, C.H. (1907), ‘Staphorster Woordenlijst’, in: Driemaandelijkse Bladen 6, 61-94
langwagen , laankwaage , zelfstandig naamwoord , balk, die de asstellen van een boerenwagen verbindt
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
langwagen , lankwaegen , balk om een boerenwagen te verlengen om er zo lange voorwerpen mee te kunnen vervoeren, b.v. bomen.
Bron: Bos-Vlaskamp, G. e.a. (1994), Olster woorden, Olst.
langwagen , langwaeng , lankwaeng , verlengde boerenwagen voor bijv. vervoer van boomstammen; men kende de lange en de korte langwaeng.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
langwagen , langwagen , lankwagen , de , Ook lankwagen = een voor vervoer langer gemaakte wagen, ook het middenstuk van een wagen dat het achter- en voorstel verbindt om de wagen langer te maken De lankwagen klaormaken veur het zaod (Sle), Bij het vervoer van bomen gebruukt ze een laankwaegen (Die), En knikslag in de weg kan een laankwagen kosten (Hav), Het veurstel wordt met het aachterstel verbonden mit een laankwaogen. Veur vervoer van bomen wel 3-4 meter (Taa)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
langwagen , lankwagen , (Kamperveen) wagen die verlengd kon worden, zodat men er bomen mee kon vervoeren
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
langwagen , lankwaagn , verlengde boerenwagen voor bomenvervoer.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
langwagen , laankwaegen , langwaegen , zelfstandig naamwoord , de; lange balk, boom die voor- en achterstel verbindt en waarmee men een wagen langer maakt, ook: een wagen die op die manier langer is of kan worden gemaakt; de laankwaegen was vooral voor het vervoer van lange materialen, zoals bomen, en ook wel voor het vervoer van varkens
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal