elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: Leidijk

Leidijk , Laidiek , Leidijk , het meervoud: de Laidieken, in geschrifte Leidijk. Aldus heet de dijk op de grens van Westerwolde en Pruisen, welke dient als waterkeering tegen het hooger gelegen Hannover. Ook eene waterkeering tusschen Noordwijk en Doezum. – Kil. ley = weg, en: leye, waterleyde = waterleiding. In Veurne-Ambacht (West-Vlaamsch) beteekent leie een groote waterloop, een gedolven gracht dienende om het water van andere grachten af te leiden (De Bo). Oostfriesch Lei of Ley, naam van verschillende kanalen, waarvan ook Leysand, Leybucht, Noordfriesch lei, leid = weg, vaart, enz.; Oud-Noorsch leidr = weg, richting; Middel-Nederlandsch leide, leyde = weg, gang, loop; Oud-Saksisch lîthan, lîdhan = gaan, rijden, wandelen, Oud-Hoogduitsch lîdan, lîden, Middel-Hoogduitsch lîden = gaan, rijden, weggaan, vergaan, Gothisch leithan = gaan rijden, wandelen. Vgl. lei 3.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
Leidijk , Leidiek , naam van een weg door de hei.
Bron: Ebbinge Wubben, C.H. (1907), ‘Staphorster Woordenlijst’, in: Driemaandelijkse Bladen 6, 61-94
leidijk , läidiek , mannelijk , dijk langs waterleiding. In het noorden van Vriezenveen heeft men ’n eersten, ’n tweiden en ’n daarden läidiek.
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
leidijk , leidiek , zelfstandig naamwoord , de; hetz. als lei
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal