elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: lichter

lichter , [beddenkwast] , lichter , beddekwast; ook Gron. Overijs. Oostfr.
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
lichter , lichter , (mannelijk) , lichters , bretel.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
lichter , lichter , zie: baier, en: .
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
lichter , lichter* , zie ook baier *.
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
lichter , lichtĕr , ond. molen, 37.
Bron: Ebbinge Wubben, C.H. (1907), ‘Staphorster Woordenlijst’, in: Driemaandelijkse Bladen 6, 61-94
lichter , lichter , zelfstandig naamwoord de , Soort ploeg die planten oplicht.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
lichter , lééchter , nageboorte van het varken.
Bron: Crompvoets, H. en J. van Schijndel (1991), Mééls Woordeboe:k. Meijel: Medelo.
lichter , [bretels] , lichters , lichten , bretels.
Bron: Bos-Vlaskamp, G. e.a. (1994), Olster woorden, Olst.
lichter , lichten , bretels.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
lichter , lichter , de, het , lichters , (Zuid-Drenthe, Midden-Drenthe) = 1. draagband of draagzeel Veur het ienspan zitten twie lichters an weerskanten an de zeel (Exl), Ien van de lichters was kepot gaon en doe zakde het ienspan an de aander kaant umdeel strop of leren houder, waardoor een boom van het eenspan loopt (Sle), De lichter op de nakke is kapot nekriem (Ros), Ik wul aan het zaaien, ik kin de lichter niet vinden draagzeel aan zaaiblik (Eco), Hij hef de arm eknooid, hij löp mit de arm in de lichter mitella (Flu), Hej de lichters wal an, de brook zakt je zo of bretels (Hijk), Op de lichter passen zorgen dat het niet te erg wordt (N:ti) 2. beddelichter As die gien lichter in de beddestee hef, komp hij nooit overende (Geb) 3. voorwerp om op te lichten De lichter an het maaimesien (Een), ...an de eg (Dro), ...van een klinkstel (Eke), ...achter de ploeg o.a voor het opploegen van aardappels (Noo)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
lichter , lichter , lichte , zelfstandig naamwoord , de 1. strop, elk der stroppen waardoor een arm, boom van het eenspan loopt, ook: elk der leren kokers met dezelfde functie; ook: strop gebruikt om paarden aan het halshout te bevestigen; door de ring ervan liep de disselboom 2. draagdoek, mitella 3. kleine hefboom waarmee men de klink oplicht 4. dat onderdeel van een eg waarmee men die oplicht: een ketting met een handvat in de vorm van een halve ring 5. beddenkwast of soortgelijk koord e.d. met handvat waaraan men zich, in bed liggend, kan optrekken
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
lichter , lichter , egtrekker
Bron: Bergh, N. van den, e.a. (2007), Um nie te vergeete. Schaijks dialectboekje, Schaijk.
lichter , liechter , leren beugel op het zadel van een paard om de bûrries in te hangen
Bron: Melis, A. van (2011) Bikse Praot. Prinsenbeeks Dialectwoordenboek. Prinsenbeek: Heemkundekring ‘Op de Beek’


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal