elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: ligger

ligger , legger , (zelfstandig naamwoord mannelijk) , Zie de wdbb. – In molens met lopende stenen. De op het doodbed rustende, liggende molensteen, waarover de staande stenen (lopers) rondwentelen. Evenzo elders; zie Groot Alg. Moolenb. I, pl. 11; HARTE, Molenb. 66 en pl. 28 e, 29 B. Ook reeds in de Middeleeuwen; zie Mnl. Wdb. IV, 325. Bij VAN DALE vindt men ligger in dezelfde zin.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
ligger , liggĕr , onderste molensteen.
Bron: Ebbinge Wubben, C.H. (1907), ‘Staphorster Woordenlijst’, in: Driemaandelijkse Bladen 6, 61-94
ligger , lègger , zelfstandig naamwoord de , Ook: 1. plaat onder de haard, 2. snoek die vaak op een vaste stek ligt, vgl. jager.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
ligger , ligger , legger , de, het , liggers , Ook legger (Midden-Drenthe in bet. 1. en 5.) = 1. draagbalk Ik wil even een neie ligger onder de vlouer maoken (Vtm), De iene ligger van de brogge hef een rotte plekke, der mut een neie op (Ruw) 2. draagboom, draagstok (Zuidwest-Drenthe, zuid) Het heui wörde op de liggers of dragers naor de hoop edragen (Hgv) 3. paal over een sloot (Midden-Drenthe) Pas mor op daj der niet ofdukelt, de liggers bint spekglad (Hijk) 4. vochtgezwel, bult bij paard of koe Een ligger bij een peerd ontstait deur een aparte wieze van staon gaon (Zui), Een ligger zat vaeke veur de kneei an de hakke of vèur de börst (Dwi), Grune ziepe op een ligger, dat wol nog wel ies hölpen (Zdw) 5. rij turf in de lengte van het veld, waartegen het stört komt te staan (Zuidoost-Drenthe, Veenkoloniën, Zuidwest-Drenthe, zuid) Een ligger was twee turven op mekaor met een scheerturf an de störtkaante (Schn), Een ligger leg ie as ie begunt te törfgraven; twei törven boven mekaar of eine mit een scheertörf (Bov), Ie hadden een gewone of dichte ligger, een hazeligger en de enkele ligger (Bco), zie ook bij bestek
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
ligger , ligger , zelfstandig naamwoord , de 1. iemand die ligt 2. dier met opeenhoping van vocht in één der gewrichten, dat daardoor komt te liggen 3. vochtgezwel aan de poot van een koe of van een paard, ook: in de flank van een paard 4. draagbalk, met name van een brug, ook vloerligger e.d., ook liggende balk anderszins: met name in een gebouw, bijv. elk der ronde balken in een ouderwetse stal met stro of plaggen erop; elk der zware dwarsbalken die stijlen in een schuur verbinden, liggende steunbalk in een schuur waar het dak op rust, ook: dwarsbalk die twee stijlen van een klokkenstoel verbindt
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal