elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: lijker

lijker , liekĕrt , liniaal.
Bron: Ebbinge Wubben, C.H. (1907), ‘Staphorster Woordenlijst’, in: Driemaandelijkse Bladen 6, 61-94
lijker , lieker , liekerd , de , liekers , (Zuidwest-Drenthe) (vaak verkl.) = liniaal Wij kregen geregeld een tik mit de lieker aover de vingers (Ruw), Ie mut er de lieker an langs holden, aans komp het niet goed (Hgv)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
lijker , lieker , in nooit lieker (...) net alsof, het schijnt beslist zo te zijn
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
lijker , lieker , liekerd, liekeltien , zelfstandig naamwoord , de; lineaal
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal