elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: lijnkoek

lijnkoek , lienkouk , (stof- en voorwerpsnaam) = lijnkoek; wie vouêrn veurjoars altied lienkouk an de melkkoien; ʼk heb guster doezend lienkouken koft.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
lijnkoek , lienkookĕ , lijnkoek.
Bron: Ebbinge Wubben, C.H. (1907), ‘Staphorster Woordenlijst’, in: Driemaandelijkse Bladen 6, 61-94
lijnkoek , lienkoek , de , lijnkoek Lienkoeken kregen ij in kisten an (Sle), De neimelkte kou kreeg een extra lienkouk (Eev)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
lijnkoek , lienkoeke , lijnkoek
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
lijnkoek , lienkoeke , zelfstandig naamwoord , de; lijnkoek
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
lijnkoek , lienkoeke , (zelfstandig naamwoord) , lijnkoek.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal