elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: loek

loek , [verstandig] , loek , loos, verstandig. Gron. loek = loos, slim, evenwel niet in ongunstige betekenis; hij ’s loek genōg = hij laat zich niet beet nemen. Noordfr. loke, laukken, AS. loeian = zien, kijken; de laucke = de blik, het oog; Oudfr. loke, Eng. to look. Zal zooveel zijn als: iemand die goed uit zijne oogen kijkt, die zich niet laat bedotten of een rad voor oogen draaien.
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
loek , loek , loos, slim, evenwel niet in slechte beteekenis; hij ’s loek genōg = hij is zoo onnoozel niet, hij laat zich niet beet nemen. – Ook = bedaard, zonder rukken of schokken; loek an = zachtjes aan. Oostfriesch lauken = kijken, zien, bespieden, beloeren, enz.; Middel-Oostfriesch blauken (be-lauken), Noordfriesch loke, lucke, laukken, Friesch (G. Japix) loackjen, Oud-Hollandsch lôken, Angel-Saksisch lôcjan, locian, Oud-Engelsch lôkien, Engelsch to look, Oud-Hoogduitsch luogên, luagên, luaken, lôgên, lôkên, Middel-Hoogduitsch luogen. Zal dus zooveel zijn als: iemand die goed ziet, die een verstandig, scherp oog heeft.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
loek , loek , 1) slim; 2) verborgen; ĕn loekĕ stee, een verborgen plaats.
Bron: Ebbinge Wubben, C.H. (1907), ‘Staphorster Woordenlijst’, in: Driemaandelijkse Bladen 6, 61-94
loek , loek , verstandig
Bron: Steenhuis, F.H. (1978), Stoere en Olderwetse Grunneger Woorden, Wildervank: Dekker & Huisman
loek , loek , zin hebbend, b.v. aens loek op wèzen = ergens zin in hebben.
Bron: Bos-Vlaskamp, G. e.a. (1994), Olster woorden, Olst.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal