elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: luchtig

luchtig , luchtig , voor: licht (bvnw.); luchtig rood.
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
luchtig , luchtig , lōchtîg , van meisjes gezegd zooveel als: loszinnig, dartel, tegengestelde van: zedig, ingetogen; da’s ’n luchtîge maid = een meisje dat alles luchtigjes opneemt, zonder eenigen levensernst is. (v. Dale: luchtig meisje = niet zeer eerbaar meisje.) – Ook = koel, een luchtje dat ons eenigszins koud aandoet; ’n luchtîge wind = lochtîge wind; ’t is luchtîg, of: lōchtîg = er waait een koele wind.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
luchtig , [helder, licht, onbezorgd] , luchtĕch , helder licht.
Bron: Ebbinge Wubben, C.H. (1907), ‘Staphorster Woordenlijst’, in: Driemaandelijkse Bladen 6, 61-94
luchtig , lóchtig , luchtig.
Bron: Kuipers, Cor e.a. (1993), Zò bót ás en hiëp. Plat Hôrster, Horst.
luchtig , luchtig , lochtig , bijvoeglijk naamwoord , (Zuidoost-Drents veengebied, Kop van Drenthe, Veenkoloniën). Ook lochtig (Midden-Drenthe, Zuidoost-Drents zandgebied) = 1. fris, koel Ik dou even ain vessie aan, want het wordt wat luchtig (Vtm), Het is een luchtige wind (Bov) 2. luchtig (Zuidoost-Drenthe) Die löp der luchtig bij (Klv), Het is een lochtige jas (Sle) 3. niet zwaartillend Der luchtig over praoten (Klv), Een lochtige vent (N:ti) 4. schrikachtig (Zuidoost-Drents zandgebied) Dat peerd kik toch wal wat luchtig oet (Pdh), zie ook lochtig
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
luchtig , lochtig , luchtig , bijvoeglijk naamwoord , (Zuid-Drenthe, Midden-Drenthe, Kop van Drenthe). Ook luchtig (Zuidoost-Drents veengebied) = licht Hij hef van dat hiele lochtige haor (Hgv), Een luchtige jurk (Klv), Die thee is zo luchtig, daor kuj wel bonen deur zichten is erg slap (Klv)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
luchtig , lochtig , luchtig , bijvoeglijk naamwoord , met daglicht (Zuid-Drenthe, Midden-Drenthe, Kop van Drenthe) Het is mooi lochtig ewörden, nou ze de bomen um ekapt hebben (Hgv), Ie heuft ’s aovends haost gien locht mèer op hebben, want het is al zo lang lochtig (Hijk), zie ook bij luchtig
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
luchtig , luchtig , 1. dun gekleed; 2. Gunninks woordenlijst van 1908: fris
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
luchtig , lóchte , luchtige , Meej dees hiit wiir duu'wek de manne wa lóchte kliir ôn, ze zwiite toch al zó. Met dit warm weer doe ik de kinderen wat luchtige kleding aan, ze zweten toch al zo.
Bron: Hendriks, W. (2005), Nittersels Wóórdenbuukske. Dialect van de Acht Zaligheden, Almere
luchtig , luftig , luchtig , bijvoeglijk naamwoord , luchtig, van kleren: zodanig dat de lucht erdoor kan spelen, d.i. vaak ook: van dunne stof
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
luchtig , lóchtig , onbezorgd, nonchalant , ’r Lóchtig tiggenèn keijke. Er onbezorgd tegenaan kijken
Bron: Laat, G. de (2011), Zoo prôte wèij in Nuejne mi mekaâr, Nuenen
luchtig , lochteg , bijvoeglijk naamwoord , Pierre van Beek –  luchtig
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal