elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: mandegoed

mandegoed , mandegoed , onverdeeld goed, ODr. gemeene mande, Gron. mandegoud, mandeboudel. Sprw. Mandegoed, Schandegoed = onverdeeld goed geeft weinig voordeel en veel ongenoegen, Nederl. Gemeen goed, geen goed. Gron. Mandegoud is Schandegoud; Oostfr. Mandekraam, Schandekraam; ook: Mandegood, Schandegood. Zie: mandeelig.
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
mandegoed , mandĕgoed , gemeensch. bezit.
Bron: Ebbinge Wubben, C.H. (1907), ‘Staphorster Woordenlijst’, in: Driemaandelijkse Bladen 6, 61-94
mandegoed , maandegoed , maandengoed , het , Ook maandengoed (Zuidwest-Drenthe, zuid) = 1. gemeenschappelijk bezit Op een boerendarp zint appels en peren maandegoed (N) 2. nog onverdeelde boedel Die arfenis is nog maandegoed (Sle) *Maandegoed is schaandegoed (Bui)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
mandegoed , maandegoed , mandegoed , zelfstandig naamwoord , et; gemeenschappelijk bezit, mandelige grond
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal