elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: mank

mank , [met iets gemengd; tussen, onder] , mank , er onder geroerd of gestoken. Mankzaad, twee soorten van graan onder elkander tot beestenvoer.
Bron: Halbertsma, J.H. (1835), ‘Woordenboekje van het Overijselsch’, in: Overijsselsche Almanak voor Oudheid en Letteren 1836, Deventer: J. de Lange.
mank , mank , maank, gemank, mank menaor , door elkander gemengd, vermengd met; pooier mank witte wien; maank ʼt volk of maank ʼt volk wezen – bij het volk, bv. de kermisgasten, tusschen het volk in, niet afgezonderd; “de appels moesten er maar af, want aans kwammen de roovers er maank.” – “Frens sleug er zoo nou en dan en malle slag mank.” – wierp er kortswijl tusschen. Gron. mank = tusschen, onder gemengd, bv.: woater mank melk; sōkker mank kōffie; eerdappels mank mous, enz. Oorspronkelijk was het woord een znw. verwant met mengen, beteekenende eigenlijk: vermenging; als voorzetsel is het in ʼt Nederl. verouderd. Kil. manck = in, tusschen; manckander = malckander; Friesch mank = vermengd; Oostfr. mank, manken, Westf. manc, mank = tusschen, enz., Neders. mank = tusschen, onder; Teuthon. gemankt = gemengd; Oudfr. mong, Schotsch omang, AS. gemang (van gemengan = mengen), Eng. among. (Oudt. beteekende gemanc ook = gezamenlijk.
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
mank , mank , tusschen, bij, in, onder gemengd; woater mank melk; centen mank dubbeltjes; sōkker (sukker, suker) mank koffie; eerappels mank boeskool; – hij ’s t’r mank = hij is er ook bij; hij ’s overal mit mank = hij doet in alles mee, woont alle gezelschappen bij, zit in alle besturen, enz.; de zun mout’r mank as wie hooien zellen = wij hebben zonneschijn noodig om te kunnen hooien; d’r mank duren = er durven wezen, in ’t minst niet bloode zijn, geene menschenvrees hebben. Kil. manck (Sax. Fris. Sicamb.) = tusschen, in, onder, en: ondertusschen, intusschen, enz. Drentsch mank, maank, gemank = mank menaor = door elkander gemengd; Friesch mank = vermengd; Middel-Nederlandsch gemanc = gemengd Oostfriesch mank, manken, Westfaalsch mang, mank = tusschen, onder, enz., Nedersaksisch mank; Oud-Friesch mong, Schotsch omang, Middel-Hoogduitsch manc, mang, Anglosaksisch gemang (van: gemengan = mengen), Engelsch among.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
mank , mank* , vgl. Nederlandsch mankzaad en Hoogduitsch Mangfutter = gemengd voeder.
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
mank , maank , gemengd met; zand maank dĕ mes doen.
Bron: Ebbinge Wubben, C.H. (1907), ‘Staphorster Woordenlijst’, in: Driemaandelijkse Bladen 6, 61-94
mank , maank , bijvoeglijk naamwoord, bijwoord , mank; maank goan, verkering hebben
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
mank , maank , tussen (eenling tussen veel andersoortigen)
Bron: Steenhuis, F.H. (1978), Stoere en Olderwetse Grunneger Woorden, Wildervank: Dekker & Huisman
mank , maank , manken, mank , voorzetsel , Ook manken (Bco), mank (N:wb) = 1. tussen Ze hebt hum der maank neumen (Coe), Daor mot ik wel even maank, want de kinder houwen mekaor as ketellappers (Vtm) 2. onder, temidden van De eerpel levert niet best, der zit völ kleinties maank (Scho), Hij houwt er in om as maal Jan maank de hounder (Row) 3. bij (Midden-Drenthe, Zuidoost-Drents zandgebied, Zuidwest-Drenthe, zuid) Maank de proemen zitten pruimen stelen (Bei), De jonge zat de boer maank de paren (Rui) 4. door (Zuidoost-Drents zandgebied) Maank mekaar doen vermengen (Oos), Het zit maank mekaar door elkaar (Sle)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
mank , mank , maank, gemank , bijvoeglijk naamwoord, bijwoord , Ook maank (Zuidwest-Drenthe, Noord-Drenthe en op de Hondsrug), gemank (wp) = 1. mank, gebrekkig Wicht lop aordig maank, maor daor kan ze wel goed um wezen (Dro), (fig.) Gooit die manke stoel maar weg (Hol), Det is maank zaod, daor zit nog veulste veule onkruud deur (Pes) 2. gemengd (Zuidwest-Drenthe, zuid, Zuidoost-Drents zandgebied) Kippenvoer is mank voer (Scho)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
mank , mank , mank
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
mank , maank , mank , bijvoeglijk naamwoord, bijwoord , 1. kreupel, mank 2. wankel (van een tafel, stoel) 3. van een situatie: niet helemaal in orde
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
mank , maank , manken , voorzetsel, bijwoord , tussen, tussenin
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
mank , maank , mank , bijvoeglijk naamwoord , mank; WBD III.1.2:380 'mank' = kreupel; WBD III.4.4:286 'mankement' = iets onbelangrijks
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal