elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: meid

meid , meide , Meiden.
Bron: J.A.V.H. (18e eeuw), Haagsch Nederduitsch woorden-boekje. Den Haag: Johannes Mensert. Uitgegeven in: Kloeke, G.G. (1938), ‘Haagsche Volkstaal uit de Achttiende eeuw’, in: Tijdschrift voor Nederlandsche Taal- en Letterkunde 57, 15-56.
meid , meid , vrijster; mien meid = mijn meisje; Gron. maid = meisje; dienstmeid; vrijster.
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
meid , meid , (vrouwelijk) , meiden, meidens , meid.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
meid , maid , (meid) = meisje, en = dienstmeid, alsmede = vrijster; ’t is ’n knappe maid = een knap meisje; wie hebben ’n fikse maid = een fiksche dienstmeid, hij het op stadsmart ’n maid had = hij heeft op de Groninger kermis een meisje gehad = hij’s mit ’n maisien uut west (Stad-Groningsch) = hij is met een meisje uit geweest. Vleiend of liefkoozend zegt men tegen kleine meisjes: mien groote maid, of: bist’n groote maid, en: bist mien maid. Van meisjes die al vrij hoog opgeschoten zijn, heet het: ’t wordt al ’n hijle maid; – maid, bij ’t aanspreken of groeten van een onbekend meisje: maid wor’n = de zoaken kriegen = de verandering kriegen, voor: het eerst de maandstonden krijgen. Drentsch meid = meisje, vrijster; Holsteinsch maaid = maagd, meisje; Oostfriesch mâgd, maid, meid = meisje, dienstmaagd, Kil. maeghd, meyd, Friesch maegd, meid, Engelsch maid = meid, vrijster; Oud-Hoogduitsch magad, maged, Middel-Hoogduitsch maget, magt, mait, meit = meisje. Spreekwoord: Mis, zee de maid! spottend voor: niet getroffen! mis! mislukt, hé? en waarbij nog behoort: ’t hemd zit’r veur; en doch gōng ’t’r deur, ook, in plaats hiervan: ’t hemd zit verdraid (ook Oostfriesch) – Dei slaopêrg is, dei woakêrg (vakerig) is, wat dat dei bie de maid? bij Harreb.: Die slaperig is, wat doet hij bij de bruid?
maidje (verkleinwoord van: meid) = kleine, jonge dienstmeid.
noakende maid = een meisje zonder eenige middelen; hij trout mie doar ’n noakende maid = hij is met een meisje getrouwd die geen cent bezit; meestal bedoelt men dan eene dienstmeid. Zie: noakend.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
meid , meid , (zelfstandig naamwoord vrouwelijk) , Zie de wdbb. – Ook meisje. Het ene kleine meisje zal b.v. de anderen toeroepen: “Meiden kom hier!” Evenzo elders in N.-Holl. Vgl. bij VALCOOGH, Regel d. Schoolmeester 14: “De kinders sullen op loca sitten van malcander …, de Meyden sullen sitten in een loock alleen, ende die Knechten sullen oock sitten by een, nae ’t fundament der Scholen hem is streckende”. – Zegsw. “Netpas”, zei de meid, en ze trok ’er vaders broek an en maakte die om der hals vast, schertsende uitbreiding van juist van pas. – Vgl. de samenst. baanmeid.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
meid , maid* , bij “Mis” enz. ook (sit venia!) en doch gong ’t ’r deur!; zie ook groote * en vgl. koamermaid *.
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
meid , mein , meisje. En fiks mein.
Bron: Ebbinge Wubben, C.H. (1907), ‘Staphorster Woordenlijst’, in: Driemaandelijkse Bladen 6, 61-94
meid , jò-mèd , de vorm waarmee de fabrieksmeisjes elkaar aanspreken.
Bron: Beets, A. (1954), ‘Leidse woorden en uitdrukkingen’, in: Bicker Caarten, A. (red.), Leids Volksleven, Leiden: Sijthoff
meid , meid , (mèd) heeft als mv. mèdes.
Bron: Beets, A. (1954), ‘Leidse woorden en uitdrukkingen’, in: Bicker Caarten, A. (red.), Leids Volksleven, Leiden: Sijthoff
meid , meid , v , meidje , meisje; meid, dienstbode; meid, meisje, vrouw Da’s echt ’n mojje meid! Dat is echt een mooie meid!; ’n Schón meid ’n Mooi meisje; verloofde Zien meid waor van rieke komaf. Zijn verloofde was van rijke afkomst.
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
meid , moid , zelfstandig naamwoord de , 1. Meisje. | Ik vind ’t ’n pittige moid. 2. Dochter. | Kè jij die ouste moid van Klaas Reus? 3. Dienstbode. | Ik diende as moid bai ’n boer op Andoik. 4. Vrijster. | Hai het ’n pittige moid. 5. Vertrouwelijke aanspreekvorm voor een vrouwspersoon. | Gort, moid, hoe is ’t nou mit je man? Zegswijze nei de moid gaan, zijn meisje of verloofde gaan bezoeken. | Hai gaat temet alle eivende nei de moid. – Ik ben je kwaaie moid niet, ik laat me door jou niet commanderen of afblaffen. – As de moid ’n moid het, het de vrouw er twei, gezegd als een oudere dochter een jonger zusje commandeert. Verkleinvorm moidje, modje. 1. Meisje. 2. Dochtertje. 3. Vrijster, verloofde.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
meid , meid , maid, maaid , de , meiden , Ook maid, maaid (Kop van Drenthe, Veenkoloniën, Zuidoost-Drents veengebied) = 1. dienstmeid (Oost-Drenthe) De meid gung met hen melken (Gro), Zie hadden een groot meid en een loopwicht een eerste meid en een meid voor het mindere werk (Bor), Bij die boer moet ze met mei een klein meid hebben tweede meid (Dro), z. ook maagd 2. meisje Het is een mooie fleurige maaid (Eev), Ie bint een flinke meid (Hol), Ik bin gien maagien meer, ik bin een meid (Zdw) 3. vrijster (klinkt soms wat platvloers) Woensdagaovend is de vaste aovend dat de jonges hen de meid gaot (Hoh), Dat is al een olde meid, die kan er wel ies overblieven (Uff) *Zeg ies honderd. Honderd. Ie bint met de meid van het bed ofdonderd (Hoh)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
meid , maot , dienstmeid. mv. meegs, verkl. mèdje.
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
meid , meid , meisje, verkering. ik gòi naor de meid, ik ga naar het meisje waar ik verkering mee heb. verkl. meidje of mèske.
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
meid , meid , määgd , meid. Ook: Gunninks woordenlijst van 1908: määgd (niet Kampen)
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
meid , médjes , meisjes , De médjes hébbe al vruug ne jónge teegewórreg, ze kunne'ner ôn én af komme. De meisjes hebben al vroeg 'n jongen tegenwoordig, ze kunnen eraan en vanaf komen.
Bron: Hendriks, W. (2005), Nittersels Wóórdenbuukske. Dialect van de Acht Zaligheden, Almere
meid , meid , zelfstandig naamwoord , de 1. meisje, meid 2. vrijster 3. dienstbode, dienstmeid
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
meid , maaid , zelfstandig naamwoord , maaides , maaisie , 1. meid, dienstbode Ze hadde ‘n stoepmaaid en een maaid om te melleke Ze hadden een werkster en een melkmeid 2. ongehuwde vrouw, meisje, verloofde Hij hè nog gêên maaid maor hij gaod elleke week achter de maaides an Hij heeft nog geen verkering maar gaat elke week achter de meiden aan 3. ongehuwde vrouw Ze is een ouwe jonge maaid van teege de fijfteg Ze is een ongehuwde vrouw van tegen de vijftig
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
meid , mèìjd , 1. dienstmeisje; 2. huishoudster; 3. verloofde (vr.)
Bron: Bergh, N. van den, e.a. (2007), Um nie te vergeete. Schaijks dialectboekje, Schaijk.
meid , mèìjdjes , jonge meisjes
Bron: Bergh, N. van den, e.a. (2007), Um nie te vergeete. Schaijks dialectboekje, Schaijk.
meid , medje , lief woord voor een jong meisje, een late tiener , da zen mwooje medjes = dat zijn mooie meisjes- zo manneke, ge ziet ’r schwôôn uit wor, gij hè zo ’n medje = zo ventje, je ziet er goed uit, jij zult zo een meisje hebben- ja mar, k’heb al ’n medje = ja maar, ik heb al ’n meisje-
Bron: Melis, A. van (2011) Bikse Praot. Prinsenbeeks Dialectwoordenboek. Prinsenbeek: Heemkundekring ‘Op de Beek’
meid , mèteke , bruidje, bij vele kerkelijke gebruiken en gebeurtenissen liepen de mètekes (bruidjes) voorop en strooiden confetti tijdens het lopen , ze liepen ok dikkels meej ’n kèske in d’r haand vur de pestoor uit die ôôs Lievenjirke droeg en onder ’n baldekijn liep, de mètekes, de baldekijndraogers en de pastoor meej ôôs Lievenjirke liepe dan saome meej alle mèèse d’r aachterop, zo de straot op om aon de precessie te begiene = ze liepen ook dikwijls met een kaarsje in hun hand voor de pastoor uit die ons Heer droeg en onder een baldakijn liep, de bruidsmeisjes, de baldakijndragers en de pastoor met ons Heer liepen dan samen met alle andere mensen zo de straat op om aan de processie te beginnen- agge daor as kiend aon meej mocht doen, was ’t net of ge dur d’n hemel liep = als je daar als kind aan mee mocht doen was het net of je door de hemel liep
Bron: Melis, A. van (2011) Bikse Praot. Prinsenbeeks Dialectwoordenboek. Prinsenbeek: Heemkundekring ‘Op de Beek’
meid , mèijd , mèijdje , meisje, dienstmeid , Ik goj venôvund no de mèijd. Ik ga vanavond naar mijn meisje. , De mèijd kumt mèèrge wir poetse. De dienstmeid komt morgen weer poetsen., Wá’n moj mèijdje bénde gèij. Wat een mooi meisje ben jij.
Bron: Laat, G. de (2011), Zoo prôte wèij in Nuejne mi mekaâr, Nuenen
meid , mèèd , meid, groot meisje
Bron: Gast, C. de (2011), ’t Boekske van de Aolburgse taol, Wijk en Aalburg: Stichting behoud Aalburgs dialect.
meid , [meisje] , maedje , (onzijdig) , maedjes , 1. meisje 2. jonge dienstbode, hulp in de huishouding 3. dochter 4. vriendin van een jongen , Ei maedje wie ei flaetje.
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
meid , mèèd , mèdje , zelfstandig naamwoord , mèdje , meid, meisje, dienstmeid, dienstbode; MP gez. Ene gèldbèùl, en flès sneevel èn en jónge mèèd kunde nôot allêen laote. Keeke, 'n dochter van Nol van Willeke de Goey, die bij Sjef Koolen vur meid wont, kwaam net toen ik de liste kan vatte, buite geschoten. (Kubke Kladder; ps. v. Pierre van Beek; NTC; Uit ‘t klokhuis van Brabant 5; 7 en 14-11-1929); Ik hè zoowè hil den aovond mee Keekes van Nol van Willeke de Goey gedaanst, ge wit wel die bij Sjef Koolen vur meid wont... (Kubke Kladder; ps. v. Pierre van Beek; NTC; Uit ‘t klokhuis van Brabant 9; 22-02-30); Cees Robben – Ik was vruuger gewoon mar mèèd... Mar ik hielup in ’t huishaauwe net zôô veul as twee hullepe na vort hellepe... (19811002); Cees Robben – ’n stult van ’n mèèd... (19670616); Cees Robben – ’n schôôn mèèd... (19861107); DANB de mèèd zi dèttie gelèèk ha - de dienstbode zei dat hij gelijk had; WBD III.2.2:47 'jonge meid' = jonge vrouw; 72 'meid' = dochter; mèdje; verkleinde vorm; meisje; - verkleinde vorm van 'mèèd', met vocaalkrimping; en schôon mèdje - een knap meisje; Cees Robben – krek passeerde daor ’n medje... (19660401); Henk van Rijen - en köös mèdje - een mooi meisje; WBD III.2.2:47 'meidje' = jonge vrouw; ook 'jonge meid '; WBD III.2.2:84 'meidje' = meisje met wie een jongen verkering heeft; Dirk Boutkan (1996) - (blz. 31) mèdje
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant
meid , meid , verloofde (v)
Bron: Arts, Jan (2015), Brónsgreun Bukske, Editie Veldes dialek, Velden.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal