elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: melkkamer

melkkamer , melkenkoamer , (Fivelgoo), in geschrifte melkenkamer, in de Ommelanden eene soort van kelder, melkkelder, waar de melk te roomen gezet en de boter bewaard wordt. “Den kikt zij noa de melkenkelder, Of alles glad is, wit en helder.” – Van eene vrouw die dikke borsten heeft, zegt men: zij het goude melkenkoamers.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
melkkamer , melkkamĕr , melkenkamĕr , melkkamer.
Bron: Ebbinge Wubben, C.H. (1907), ‘Staphorster Woordenlijst’, in: Driemaandelijkse Bladen 6, 61-94
melkkamer , melkkaemertie , ruimte voor het melkgerei.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
melkkamer , melkenkamer , melkkamer , de , (Zuid-Drenthe, Kop van Drenthe). Ook melkkamer (Zuid-Drenthe, Noord-Drenthe) = melkkamer, ruimte in het voorhuis - veelal tussen keuken en achterhuis - voor het bewaren van melk en melkgerei en voor het karnen In de melkenkaomer aachter de bedsteden stunden de inmaakpotten, de botter, brood en stoet en de slacht (Row), De melkkamer haj vrogger an de kolde kaante um de melk koel te holden (Zdw), (fig.) Dat kind komp in de melkenkaomer aan de borst (Eke), z. ook melkhok, melkfebriek
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
melkkamer , melkkaemer , zelfstandig naamwoord , de; ruimte waar de melk stond te koelen en te romen, ook: tussen voorhuis en stal, ook: onder bedsteden of kamer
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal