elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: meuten

meuten , [tegenhouden] , meuten , Tw. tegenhouden. Gr muiten. id. [moeten, ontmoeten.] Isl. môt, tegen.
Bron: Halbertsma, J.H. (1835), ‘Woordenboekje van het Overijselsch’, in: Overijsselsche Almanak voor Oudheid en Letteren 1836, Deventer: J. de Lange.
meuten , meuten , tegenhouden: als men een kwaden hond tegenkomt, roept men zijn kameraad toe: meutem!
Bron: Ballot, A. (1870), Eigenaardigheden van het Twentsche dialect, uitgegeven in 1968, Hengelo.
meuten , [tegenhouden] , meuten , tegenhouden, keeren, gaan, beletten; ook = bedwingen, temmen. Gron. muiten = weren, tegenhouden, keeren; Oostfr. möten = bedwingen, temmen, keeren, beletten, verhinderen; Holst. möten = tegenhouden. Zw. mot = tegen, en mota = verhinderen.
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
meuten , mö̂jten , (zwak werkwoord) , tegenhouden.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
meuten , muiten , (met korten ui-klank) = weren, tegenhouden, keeren, ook: opmuiten, als er van water, van een dier, enz. sprake is; wie hebben diekjes moakt om ’t woater op te muiten; ik kon ’t woater nijt oet de stevels muiten, (Westerkwartier ik kon ’t woater nijt oet de stevels keeren) = het water liep mij in de laarzen; de dokter ken de dood nijt muiten (Marne); ofmuiten = afweren, van mij houden; ik kon de sneibal nijt ofmuiten; Oostfriesch ofmöten, Holsteinsch bemöten. – Drentsch meuten, Oostfriesch möten = bedwingen, temmen; keeren, beletten, verhinderen. Vgl. het Oud-Friesch meta, mjitje = ophouden, verblijven, op de plaats blijven, en het Zweedsch mot = tegen; mota = verhinderen, er zich tegen verzetten, alsmede: muite 2. – Verleden deelwoord: möt; ’k heb hōm möt, opmöt, ofmöt; mutte, mötte, hield tegen.
(Langewold; met korten ui-klank) = twist zoeken; de vent dut niks as muiten = hij is lastig in een gezelschap; hij is ’n groote muiter = hij is een eerste ruziemaker. – Het begrip van: tegenkomen (fig. = wederstreven) ligt ook in deze uitdrukking. Vgl. ’t West-Vlaamsch: muten, Zuid-Nederlandsch muiten = fluisteren, murmelen, morren, Fransch murmurer. (De Bo).
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
meuten , meutĕn , weren, tegenhouden.
Bron: Ebbinge Wubben, C.H. (1907), ‘Staphorster Woordenlijst’, in: Driemaandelijkse Bladen 6, 61-94
meuten , muiten , opwachten
Bron: Steenhuis, F.H. (1978), Stoere en Olderwetse Grunneger Woorden, Wildervank: Dekker & Huisman
meuten , meute , werkwoord , Oudewijven, kletsen. | Wat zitte jullie weer te meuten.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
meuten , meuten , muten, muiten , zwak werkwoord, overgankelijk , Ook muten (Zuidwest-Drenthe, zuid, Zuidoost-Drents zandgebied), muiten (Kop van Drenthe, Veenkoloniën, Zuidoost-Drents veengebied) = tegenhouden Hij kun de schaopen nich muiten (Bov), Bij dam mout ein staon te muiten (Eel), ...te meuten, anders gaot ze de verkeerde dam in (Dro)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
meuten , meuten , ontmoeten, tegenkomen (W.-Veluwe).
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.
meuten , meute , zwak werkwoord , meute - meutte - gemeut , PM kletsen, ouwehoeren, 'aawbètte', 'aawmeute'; Verh. MEUTEN onov.ww - kletsen, gewoonlijk in verbinding met ouw-, vgl. ouwehoeren. Wie het doet, is een 'meut' of 'ouwmeut', wsch. van 'moet' of 'meuj', tante. Bosch meute - kletsen, ouwehoeren; Als zelfstandig naamwoord: gemeut: Agge meej un half oor meej lösterde nao der gemeut waarde subiet hillemaol op de hôogte  meej wetter in de buurt spêûlde. (Lodewijk van den Bredevoort – ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? Dl. 2, Tilburg 2007)
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant
meuten , meuten , zeuren
Bron: Oudenaarden, Jan (2015), Wat zeggie? Azzie val dan leggie! Aspecten van het dialect van Rotterdam, Rotterdam.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal