elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: minnig

minnig , minnĕch , minnetjes, schraal.
Bron: Ebbinge Wubben, C.H. (1907), ‘Staphorster Woordenlijst’, in: Driemaandelijkse Bladen 6, 61-94
minnig , minnig , bijvoeglijk naamwoord , 1. (Nogal) klein, tenger, licht. 2. Gemeen, laaghartig. | Ik vind ’t ’n minnige streek. 3. Behoorlijk ziek. | De pesjent is puur minnig.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
minnig , minnig , bijvoeglijk naamwoord, bijwoord , 1. tenger, zwak Het is een minnig ventie, maor het bekkie zit wel op de goeie stee (Hgv) 2. niet erg fit Hie was aordig minnig in de hoed, mor dat was ok gien wonder, gisteraovend was e ja zo doen (Eex) 3. onaanzienlijk en klein van stuk Dat boompien is mij toch te minnig veur die pries (Odo), Der zit niks gien wasdom in, het blif zo’n minnig kèreltien (Sti) 4. geringschattend (Zuidoost-Drents veengebied) Hij denkt er altied zo minnig over (Klv)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
minnig , minnig , bijvoeglijk naamwoord , 1. in slechte staat, in slechte conditie, zwak, ziekelijk 2. klein van stuk, mager, tenger 3. slaperig en evt. vermoeid
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal