elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: minnigheid

minnigheid , [kleinigheid] , minnigheid , kleinigheid. In Gron. altijd met: geen, voorop: ’t is lang gijn minnighaid = ’t is lang geen smaldoek, lang geen kleinigheid of geringheid, schertsend van iets dat nogal vertooning maakt; ook Oostfr.
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
minnigheid , minnîghaid , geringheid; ’t is lang gijn minnîghaid = ’t is lang geen smaldoek, verre van eene kleinigheid of geringheid, schertsend voor iets of van iets dat nogal vertooning maakt, in zonderheid van meisjes die zwierig gekleed gaan; ook Oostfriesch.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
minnigheid , minnigheid , Kleinigheid. Ik mot nòg vîftîn gülden betalen; ʼt is gîn minnigheid.
Bron: Draaijer, W. (1896). Woordenboekje van het Deventersch Dialect. ’s-Gravenhage: Martinus Nijhoff
minnigheid , minnĕchheitien , beetje.
Bron: Ebbinge Wubben, C.H. (1907), ‘Staphorster Woordenlijst’, in: Driemaandelijkse Bladen 6, 61-94
minnigheid , [kleinigheid] , minnigheid , Kleinigheid. Ik mot nòg vîftîn gülden betalen; ʼt is gîn minnigheid.
Bron: Draaijer, W. (2e druk 1936), Woordenboekje van het Deventersch Dialect, Deventer: Kluwer.
minnigheid , minnegaejd , zelfstandig naamwoord, vrouwelijk , kleinigheid, klein beetje
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
minnigheid , minnigheid , kleinigheid.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
minnigheid , minnigheid , de , (Zuidoost-Drents zandgebied, Kop van Drenthe, Zuidwest-Drenthe, noord) = 1. kleinigheid Met een aarfenis kunnen ze om een minnighaid drokte hebben (Pei), Een tummerman zeg wel: der möt nog een minnigheid of (Wsv) 2. zwakte, slapte Dat komp deur zien minnigheid dat e niet meer tillen kan (Sle)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
minnigheid , minnegeid , kleinigheid. ’t Is gien minnegeid, met de Koneginne epraot te hebbm.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
minnigheid , minnighied , zelfstandig naamwoord , et 1. het erg ziek zijn 2. laagheid, het gemeen doen
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal