elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: misseunen

misseunen , [ontsieren] , misseunen , ontsieren, misstaan; ook = mislukken. Oudt. sine = schoon; onsine = leelijk, van: suni = forma.
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
misseunen , misseunĕn , det misseunt ’ĕm, staat hem leelijk.
Bron: Ebbinge Wubben, C.H. (1907), ‘Staphorster Woordenlijst’, in: Driemaandelijkse Bladen 6, 61-94
misseunen , missunen , missunen, missuund , misstaan (qua uiterlijk).
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal