elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: motten

motten , mōtten , morsen.
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
motten , motten , mopperen, zijn booze luim door morren en brommen luchten en zoo twist zoeken. Hiervan: motter, mottert = lastige, kwaadwillige mopperaar, twistzoeker; motterei = mopperderei = gemopper, ’t eerste inzonderheid om twist uit te lokken. Oostfriesch motjen; Deensch mudt, mut = onvriendelijk, brommig; Engelsch mutter = mompelen, morren; Oud-Engelsch muteren; Beiersch mutern = morren, en: mäudern = brommen, morren; Zwitsersch mudern = knorren; Zwaben: mottern = zich verdrietig aanstellen, van het Latijn mutire, muttire = prevelen, mompelen, brommen, morren. – Vgl. mōrtjen.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
motten , motten* , vgl. mōrtjen *.
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
motten , [morsen] , mottĕn , morsen.
Bron: Ebbinge Wubben, C.H. (1907), ‘Staphorster Woordenlijst’, in: Driemaandelijkse Bladen 6, 61-94
motten , motjen , 1. onhandig werken 2. tegenstribbelen
Bron: Steenhuis, F.H. (1978), Stoere en Olderwetse Grunneger Woorden, Wildervank: Dekker & Huisman
motten , smotten , smotten, esmot , motregenen.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
motten , motten , zwak werkwoord, onovergankelijk , 1. knoeien, morsen Ze hebben weer aan het motten west met waoter, ...heui (Eel), Hij is gien melker, hij mot het meeste buten de ummer (Pes) 2. licht regenen Het geeit mis met het weer, het begunt al te motten (Anl), z. ook mossen
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
motten , motten , motregenen
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
motten , motten , werkwoord , 1. min of meer per ongeluk laten vallen en daardoor vuil maken, ook: lekken waardoor iets vuil wordt 2. knoeierig met water, modder, klei enz. bezig zijn 3. licht, druilerig regenen
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
motten , motten , (werkwoord) , motten, emot , 1. motregenen. Zie ook: motrègenen; 2. rommel maken, bijv. knoeien met tabak.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal