elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: nagelhout

nagelhout , negelholt , rookvleesch van de bil der runderen.
Bron: Halbertsma, J.H. (1835), ‘Woordenboekje van het Overijselsch’, in: Overijsselsche Almanak voor Oudheid en Letteren 1836, Deventer: J. de Lange.
nagelhout , nègelholt , Rookvleesch, inzonderheid de rookbillen van een rund, die na in den schoorsteen berookt te zijn – dat bij voorkeur en om het te beter te conserveeren op eikenhout of spaanders geschiedt – aan den zolder worden opgehangen in de zoogenaamde wieme; nègel of nagelholt laat zich aldus verklaren, door ‘wat de nagel of spijker houdt,’ vasthoudt, vat: ophangvleesch, in tegenstelling van het pekelvleesch, dat in den regel eerder georberd wordt; alzoo nagelhoud of nagelhout, want een d of t doet hier niets af, met verwisseling van al en ou (zie talter); vergelijk balkenbrij. Andere verklaringen van dit woord heeft Bilderdijk, Geslachtlijst op nagelhout (a en b), waarmeê overeenstemt die in den Navorscher, 1855, blz. 138, en waarvan afwijkt die in het Bijblad op dat werk, blz. 86. In Groningen noemt men het rookvleesch hize, van hizen of hijzen (hijschen); vergelijk Pan op halshijze, en Swaagman, Annales Acad. Groninganae 1824 - 25.
Bron: Buser, T.H. (1856-1861), ‘Geldersch Taaleigen’, in: De Nederlandsche Taal 1856, 1: 13-17, 163-188; 1857, 2: 194-217; 1858, 3: 271-278; 1859, 4: 186-197; 1861, 6: 61-68.
nagelhout , naogelholt , geroookt bilstuk eener koe; voorwerpsn. naogelholten, Gron. noagelholt, Overijs. negelholt, Oostfr. nagelholt.
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
nagelhout , [rookvlees] , nègelholt , (onzijdig) , rookvleesch.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
nagelhout , noagelholt , (nagelhout), soort- en voorwerpsnaam = gerookt lendestuk van een rund; Overijselsch nêgelholt, Oostfriesch nagelholt. Zie: hies. (v. Dale: nagelhout = rookvleesch. – In deze provincie verstaat men onder rookvlijs, rookvlais, alle vleesch dat in den rook heeft gehangen.)
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
nagelhout , nègelhòlt , (onzijdig) , Rookvleesch, stuk rookvleesch. Ik heb nòg tw(i)ee nègelhòlten in de wimme hangen.
Bron: Draaijer, W. (1896). Woordenboekje van het Deventersch Dialect. ’s-Gravenhage: Martinus Nijhoff
nagelhout , [bil van de koe] , naagĕlholt , bil van de koe.
Bron: Ebbinge Wubben, C.H. (1907), ‘Staphorster Woordenlijst’, in: Driemaandelijkse Bladen 6, 61-94
nagelhout , nègelhòlt , (onzijdig) , Rookvleesch, stuk rookvleesch. Ik heb nòg tw(i)ee nègelholten in de wimme hangen.
Bron: Draaijer, W. (2e druk 1936), Woordenboekje van het Deventersch Dialect, Deventer: Kluwer.
nagelhout , näägelholt , onzijdig , nagelhout, gerookt vlees van een koe
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
nagelhout , nagelhout , [neegel-holt, ee als de Grieksche êta] , Dus noemt men de spieren uit de bil van een rund, welke in den rook gehangen worden.
Bron: Dumbar, G., H. Scholten en J.A. de Vos van Steenwijk Vollenhove (1952), Het Dumbar Handschrift – Idioticon van het Overijsels in het einde der achttiende eeuw, uitgegeven door H.L. Bezoen, Deventer
nagelhout , neaglhòolt , zelfstandig naamwoord , rookvlees van koe
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
nagelhout , naegelholt , rookvlees.
Bron: Bos-Vlaskamp, G. e.a. (1994), Olster woorden, Olst.
nagelhout , naegelholt , rookvlees.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
nagelhout , nagelholt , nagelbolt , het , Ook nagelbolt (Zuidwest-Drenthe, noord) = gerookt bilstuk van een rund, maar Een naegelboltie kenne wij ook as een gedreugd schinkie van een schaop of geite (Dwi)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
nagelhout , nagelòlt , rookvlees
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
nagelhout , nèègelholt , rookvlees.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
nagelhout , nagelolt , (zelfstandig naamwoord) , 1. rookvlees. Zie ook: rookvleis; 2. hout van de kruidnagelboom.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal