elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: neus

neus , nö̀sse , nü̂ze , (mannelijk) , neus.
Bron: Gallée, J.H. (1895), Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect, aanhangsel Twents
neus , nöse , (mannelijk) , neus.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
neus , neus , neuze , het voorwerp waarachter de deurklink valt, en waardoor zij vastgehouden wordt. Aldus omdat het vóór of boven uitsteekt. – Ook: het bovenste van een appel of van eene peer, de plaats waar het bloeisel is weggevallen. Ditzelfde geldt ook voor de groote boonen; het volk houdt er niet van als versche groente, maar eet ze, as ze swarte neuzen begunnen te kriegen, dat is wanneer zij volwassen zijn. – Zegswijs: ’n scheet in de neuze hebben = dronken zijn; op neus t’r bie = ’t voorwerp als met den neus aanrakende, uit nieuwgierigheid om alles te besnuffelen of te doorzoeken, waarvoor ook: neusken, bie omneusken = iets zonder verlof nauwkeurig bekijken; overal mit de neuze inzitten, bij Weil. v. Dale neuzelen = besnuffelen; Oostfriesch nȫsken, nûsken = snuffelen; men mout’r altied op neus bie stoan = als men zekerheid wil hebben dat het goed verricht wordt, moet men er zelf bijstaan en toezicht houden, o.a. klachte van huisvrouwen; ’k heb ’n kolle neus hoald, zegt iemand die een oogenblik buiten in de koude is geweest; de neuze zel hōm hard wezen = hij zal er niet weinig trotsch op zijn. Zie ook: ofzeggen, en: neers.
neus - bek, in: men mout hōm (of: heur) alles mit neus en bek, (of: mōnd) beduden = men moet hem alles tot in de kleinste bijzonderheden aanwijzen als hij voor ons wat maken zal. Eene wrevelige uitdrukking voor: hij of zij is niet bevattelijk.
op neus t’r bie stoan, zie: bovenopstoan.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
neus , neus , (zelfstandig naamwoord mannelijk) , Zie de wdbb. – Zegsw. Dan is het week van me neus al weg, tegen die tijd ben ik reeds lang dood. – Iemand de neus opkrabben, hem treiteren, pesten. – In een oliemolen noemt men de beide klampjes aan de voorree, waartussen het stamper- of haaitouw wordt vastgezet, de neus. Dit vastzetten geschiedt door een dwarshoutje aan dat touw, de knevel (zie aldaar), onder de neus te brengen. Iedere stamper en haai heeft een neus. – In verkl. neusie ook voor het puntje van een papieren zak. || Der zit nog maar ’en klein neusie in (van een puntzakje, dat bijna leeg is). Er is nag ’en neusie over. – Ook als naam van een stuk land te Wormer aan de Koksloot. || Het Neusje. Vgl. “het halfmat en neuskes, bestaat in 4 stukjes” en “Neuskessloot”, Hs. (18de e.), archief v. Wormer. Neuskes en Neuskessloot schijnen thans onbekend te zijn; wellicht is Neuskes echter hetzelfde land, dat men thans het Neusje noemt. – Zie een zegsw. op middelschot, en vgl. verder de samenst. gremelneus, platneus, punnekneus en neusje-tip doen en neuzig.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
neus , neus , in: op neus t’r bie = met den neus er op of er bij (ook: er bovenop), uit nieuwsgierigheid; in dezelfde beteekenis ook: d’r bovenopstoan = er zeer dicht bij staan, vergel. toonen * en zie ook neusken *.
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
neus , neuzĕ , neus.
Bron: Ebbinge Wubben, C.H. (1907), ‘Staphorster Woordenlijst’, in: Driemaandelijkse Bladen 6, 61-94
neus , neus , Eer je je neus veegt, eer je je omdraait; eer je ’t weet. Begin je der mit één, eer je je neus veegt zijn der duzend, Gedenkschr. 1839. I. 20 (over ’t ruzie maken met studenten).
Bron: Beets, A. (1927), ‘Utrechtsche Volkswoorden en Volksgezegden’, in: Driemaandelijksche bladen 22, 1, 1-30, 73-84. Groningen
neus , nüüeze , vrouwelijk , nüüezen , nüüesien , neus
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
neus , neus , een neus halen, beschaamd gemaakt worden, begroet worden met “een lange neus”; d.i. met de duimen der uitgespreide vingers tegen de neus.
Bron: Beets, A. (1954), ‘Leidse woorden en uitdrukkingen’, in: Bicker Caarten, A. (red.), Leids Volksleven, Leiden: Sijthoff
neus , nueze , zelfstandig naamwoord, vrouwelijk , nuezn , nuesken , neus
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
neus , neuze , TL 606, nogmaals het ons bekende rijmpje “Jeude Jeude wat jeukt mie”, nu onder de noemer “Kwelspreuk” en in gewijzigde versie. Onder toevoeging: (Stad); ik heb het daar nooit gehoord.
Bron: Meijer, J. (1984). Tolk van ’t Olle Volk – Joods Supplement op het Nieuw Groninger Woordenboek van K. ter Laan. Heemstede
neus , neus , zelfstandig naamwoord de , in de zegswijze ientje deur de neus bore, iemand een geheim ontlokken (verouderd). – Mit z’n neus in ’t vet rake, met zijn neus in de boter vallen. Dezelfde zegswijze vindt men bij Bredero in diens ‘Klucht van de Molenaar’, regel 474.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
neus , naas , neus.
Bron: Kuipers, Cor e.a. (1989), È maes inne taes. Plat Hôrster, Horst.
neus , neuze , neus; * ie hoeft niet meer te nemmen dan iene neuze vol: het valt nog wel mee met de stank.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
neus , neus , neuze, nèze , de , (Zuidoost-Drents zandgebied, Midden-Drenthe, Kop van Drenthe). Ook neuze (Zuid-Drenthe, Midden-Drenthe, Veenkoloniën), nèze (N:Nsch, veroud.) = 1. neus Mien neus zit verstopt (Zey), Ik geleuve da’k verkolden wurre, de neuze begunt mij te lopen (Ruw), An zien neuze te zeggen kun hij wel an de draank wèzen hij heeft een rode neus (Bro), IJ stikt jao alles under de neus gezegd tegen een kind bij het eten (Sle), Wat het die kerel een blauwe neus (Rod),...rooie neus drankneus (Wtv), Hij prat deur de neuze (Nsch), As een kind zuk in de neus zat te pulen, zeden ze: Hie kan wal wörms hebben (Sle), Dei man hef veuran staon, do de neuzen oetdeild weurden hij heeft een grote neus (Bco), ook Die hef mit neuzen uutdelen achteran estaone. Toen waren er nog twei neuzen, een snotneuze en een grote neuze. En hij zee: Doet mij die grote dan maar (Hol), Wie is dat? Antw. Die kèrel mit dat vel over de neus (Dwi), Dat zeed hie hum lillijk, zo langes de neuze weg terloops (Nije), Ik heb hom mit de neus op de feiten drukt (Een), Ie moet niet altied de neus overal insteken je overal mee bemoeien (And), Ik heb heur het goed veur de neus holden voorgehouden (Sle), Dat hang ik oe niet an de neuze vertel ik niet (Flu), Die kerel is gien knip veur de neus weerd niets waard (Rol), Hie lusterde met neus en oren, ...neus en gat aandachtig (Sle), Dat wicht lop altied met de neus in de wind (Pei),... hoog in de wind (Nor), De neus in de wind steken trots zijn (Ndo), Dat is zien neuze veurbij egaone dat heeft hij niet gekregen (Zdw), ook Het gunk hum toch nog bij de neuze langes (Koe), Aj niet oppast, za’k je even de neus tussen de oren zetten dreigement (Sle), De neus argens veur ophaolen (Bal), ...optrekken minachten (Nam), Hij speit humzölf van grunigheid in de neuze van een eigenwijs persoon (Hgv), Hij vret uut de neuze voert niets uit (Klv), Die is met de neus in ’t botter vallen heeft veel geluk gehad (Schl), Hij steeit aaltied met de neus veuran (Anl), Dat hebt ze mij lillijk deur de neuze boord (Dwi), Een lange neus trekken (Ass),...maken de gek aansteken (Wee), Dat kan je nog bij de neus pakken opbreken (Gas), Hij hef de neuze der vol van heeft er genoeg van (Bco), ook Het komp hum de neus oet (Rol), Hij döt asof zien neus blödt alsof hij van niets weet (Bor), Hij preut zien neus veurbij zijn mond (Exl), Hij hef er een fiene neuze veur (Dwi), ...een scharpe neuze veur ruikt zijn kansen (Hijk), Dat is het neusien van de zalm (Koe), Moej hum op zien neuze zien kieken! teleurgesteld zien kijken (Eri), Hij stun iniens veur mien neuze stond plotseling voor mij (Klv), Hij stöt zien neuze nog wel (Eri), Hie stun der met de neus op vlak bij (Wee), Ie moet wieder kieken as oen neuze laank is (Pes), Even een kaolde,... frisse neus halen (Wed), Hij is op zien neus vallen op zijn gezicht (Dro), Ik heb hum mooi bij de neus had (Een), ...pakt te pakken gehad (Eco), Ik heb een neimelkte neuze loopneus (Hol), Dat is ok een neisgierig neusie nieuwsgierig persoon (Een), Even tuschen neus en lippen wat zeggen terloops (Eex), Loop oen neuze mor achternao, dan kom ie er wel (Geb), Zie zet je vaok een pen op de neus het mes op de keel (Gie), Eerst even de neuzen tellen kijken of iedereen er is (Mep), Heur is even, dat kan ik an dien neuze ok nich zein (Bov), Hij mag geern een aander de neus ofvegen kritiek hebben (Gro), Hij komp met de drup an de neus in hoes hij moet trouwen (Gro), Hij leup mit de neuze tegen de laampe (Hav), Dat is mor een wassen neus stelt niets voor (Eev), Iene een brille op de neuze zetten op zijn nummer zetten (Coe), Ik zal het hum ies goed onder de neus wrieven aan zijn verstand brengen (Hgv), IJ kunt wel meeinen dat je neus een metworst is, mor het is een snötvat (Eex), Die lop met de neus tegen de deur an is hoogmoedig (Zey), Het is wal ies goed dat e zien neus stöt (Sle), Je heuft niet meer nimmen as een neus vol van iets dat ruikt of stinkt (Dro), Je moet je niet bij de neus laoten nimmen laten beetnemen (Oos), Daor kreeg gienien een neus tusken (md), As doe het nich vinden kanst, hest mit de neuze keken (Bov), Hij het een snee in de neuze is dronken (Coe), Hij hef wat in de neus a. is wat van plan (Kop van Drenthe, Zuidoost-Drents zandgebied) As e wat in de neus hef, dan giet het deur (Sle) b. hij heeft wat in de gaten (dc) 2. (bij vergelijking) uitstekende punt De neuze, daor valt de klink in deel van het klinkstel, waar de klink in valt (Hijk), Aj vroger wriekten mit de bok, dan höl ie de konte van de bok wat of en de neuze wat naor de wal neus van het schip (Hgv), Der zit wal wörmsteken in de neus het vruchtbeginsel (Sle), De neuze van een schoe, een klomp, een kezien, een torpedeo van een zelfbinder en de neuze an de as van een wagen (Klv), De neuze van de auto is beschadigd (Eri), De neus van de baander, woor de heng in draait ijzeren pin in deurstijl of muur (Eev), Het ienspanplaankien, ...broggeplaankien, daor zaten de neuzen op waor het ienspan an paste (Wsv), De uutstiksels van de ledders van de waegen worden ook wel neuzen eneumd (Wap) *Welterusten / Neus in de kussen / Neus in de vèren / Mörgen ete wij lekkere pèren (Hijk); Woor gaist hen? Antw. Neuze nao, padje langes, schaopekeutels zuiken (Erf), ...metworsten zuiken (Row), of ...Neus nao, padtien langs, wiedwèeien, knollen zèeien, achter de meziek an (Sle); Allemans neus is gien kapstok gezegd tegen een nieuwsgierig persoon (Coe); Wat doej er mit in de neuze, as een aander het niet in de konte hebben wil gezegd als iem. na een wind zegt dat het stinkt (Hol)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
neus , neuze , neus. De krul in de neuze ebben ‘het naar de zin hebben’, Det za-k oe niet an de neuze angen ‘daar heb je niks mee te maken’, Ie kieken met de neuze ‘je kijkt niet goed’
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
neus , neuze , neus.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
neus , neus , neus , Ge hoef’ter nie miir van te vatte és ‘w neus vól. Je hoeft er niet neer van te nemen als je neus vol. Antwoord op de vraag “wat stinkt het hier toch”
Bron: Hendriks, W. (2005), Nittersels Wóórdenbuukske. Dialect van de Acht Zaligheden, Almere
neus , neuze , zelfstandig naamwoord , de 1. neus 2. reukvermogen 3. neus aan een kozijn of deurstijl 4. horizontale pijp van een pomp waaruit het water te voorschijn komt 5. bij wagens: gebogen uitsteeksel waaraan men vast kon haken 6. vooruitstekend deel, punt, in diverse toepassingen: van een schoen, een klomp, een vliegtuig, een boot; verder o.m. in de neuzen d’r of zaegen de uiteinden van talhout, et neusien van de zalm 7. aan een kroontje doen denkend uiteinde van de appel, tegenover het steeltje 8. puntje dat bij de eerste groei uit een bloembol boven de grond komt
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
neus , nöze , (zelfstandig naamwoord) , nösien , neus. Uitdr.: De smid zien nöze zit ter op ‘de deur zit op slot’.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
neus , nuske , neusje
Bron: Laat, G. de (2011), Zoo prôte wèij in Nuejne mi mekaâr, Nuenen
neus , naas , (vrouwelijk) , naze , naeske , neus , De naas inne windj staeke. De naas optrèkke vuuer get. D’n dèksel oppe naas kriege. Det hang ich dich neet ónger de naas. Doon of dien naas blootj. Ein noewsjieërige naas. Emes de naas oetsnoeve: iemand flink de waarheid zeggen. Emes get door de naas boeare. Emes get ónger de naas vrieve. Gein knip vuuer zien naas waerd zeen. Get langs de naas eweg zègke. Kaojnaas. Op zien naas kieke. Örges ein fien naas vuuer höbbe. Uueveral zien naas instaeke. Vuuer get de naas ophoeale. Wiesnaas. Zoea wied kieke es dien naas lank is. ‘Woea geis se haer?’ ’Mien naas nao!’: dat gaat je niks aan!: dat gaat je niks aan!
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
neus , neus , zelfstandig naamwoord , nuske , neus; Kees en Bart: 'net of w'uit ons neus bloejen'; ...de vurste was zo’n amèchtig kemiek mènneke mee zon aorig nuske... (Naarus; ps. v. Bernard de Pont; in: Groot Tilburg 1941; CuBra); Mandos, Brabantse Spreekwoorden: en neus as en schoenmaokersvèthoorentje (D'16) spreekwoordelijke vergelijkingHij ha vèrkeseugskes en ’n nuske om te laache. (Naarus; ps. v. Bernard de Pont; in: Groot Tilburg 1941; CuBra); Mandos, Brabantse Spreekwoorden: daor hoeft nie iedereen zen neus oover te snutte (Pierre van Beek: Tilburgse Taalplastiek 1968) –daar hoeft niet iedereen zich mee te bemoeien; De kènderkes staon allemòl/ — Èèrme zo goed as rèèke —/ meej der nuske teege de rèùt/ nòr et ötgepakt te kèèke. (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Sintreklaos ôok); Mandos, Brabantse Spreekwoorden: ieder moet er zen neus oover drêûge, tòt Jan Rap mee zenen örgel ('70); Dan zit ie frèèd op de tribune/ Z'n lekkend nuske af te buunen. (Gieleke – wsch. ps. van Michel van de Ven (Lechim) – ongedateerd knipsel uit onbekende bron; ca. 1960-1980); Henk van Rijen:  gelèèk heej gin neus - het gelijk heeft twee kanten; WBD III.4.3:278 steeknuske, prikneus - bolderik (Agrostemma githago); WBD III.1.2:340 'kwaaie neus' = uitslag onder de neus
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant
Neus , Neuze, de , Gerrit Hulsman, Feyenoord
Bron: Oudenaarden, Jan (2015), Wat zeggie? Azzie val dan leggie! Aspecten van het dialect van Rotterdam, Rotterdam.
neus , neu~s , naas , neuze , nuske , neus
Bron: Arts, Jan (2015), Brónsgreun Bukske, Editie Veldes dialek, Velden.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal