elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: nicht

nicht , nichte , zie: naeve.
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
nicht , nichte , (vrouwelijk) , nichten , nicht.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
nicht , nichie , nichien , nichie (Veenkoloniën, Hoogezand, enz.) = nichien (Stad-Groningsch) = nichte (Oldampt, Ommelanden) = nichtje, nicht, ook bij ’t aanspreken.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
nicht , nichtĕ , nicht.
Bron: Ebbinge Wubben, C.H. (1907), ‘Staphorster Woordenlijst’, in: Driemaandelijkse Bladen 6, 61-94
nicht , nichte , vrouwelijk , nicht. Nichten-niääven-keender; achternichten en neven.
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
nicht , nichte , zelfstandig naamwoord, vrouwelijk , nichn , nichjen , nicht
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
nicht , nicht , zelfstandig naamwoord de , in de zegswijze nicht en neef (dat) vraait skeef, het is ongepast, het loopt verkeerd af als een nicht en een neef met elkaar vrijen.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
nicht , nicht , nichte , de , nichten , Ook nichte (Zuidwest-Drenthe, Midden-Drenthe, veengebieden Oost-Drenthe) = nicht Aukien is een nicht van mij, zien moe was een zuster van mien moe (Sle), Ik magge naodrager wèzen, as mien nichien edeupt wordt tantezegger (Bro), z. ook bij neef
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
nicht , nichte , nicht
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
nicht , nichte , nicht.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
nicht , niecht , nicht , Un niecht wul de hil femielie regiire én die schiinen 't nog te léijen ók. Een nicht wil de hele familie regeren en die schijnen het nog te accepteren ook.
Bron: Hendriks, W. (2005), Nittersels Wóórdenbuukske. Dialect van de Acht Zaligheden, Almere
nicht , nichte , nicht , zelfstandig naamwoord , de; nicht: dochter van iemands broer, zus, oom, tante, ook: afstammelinge van zo’n dochter
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
nicht , nichte , (zelfstandig naamwoord) , nichien , nicht.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
nicht , niechje , nichtje , ik heb zuvul nééve en niechte, da’k ze echt ammel nie ken = ik heb zoveel neven en nichten, dat ik ze allemaal niet ken-
Bron: Melis, A. van (2011) Bikse Praot. Prinsenbeeks Dialectwoordenboek. Prinsenbeek: Heemkundekring ‘Op de Beek’
nicht , nich , nicht , (vrouwelijk) , nichte , nich(t)je , nicht , De maedjes van miene broor zeen mien nichtjes.
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal