elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: nikkoppen

nikkoppen , nikkoppen , voortdurend met het hoofd knikken in den slaap: zitst doar al te nikkoppen, ’k bin bang dat de kop d’r nog of gait, goa lijver noa ber tou.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
nikkoppen , nikkòppen , Met het hoofd van ja! knikken. Vgl. schüddekòppen.
Bron: Draaijer, W. (1896). Woordenboekje van het Deventersch Dialect. ’s-Gravenhage: Martinus Nijhoff
nikkoppen , nikkoppĕn , knikken.
Bron: Ebbinge Wubben, C.H. (1907), ‘Staphorster Woordenlijst’, in: Driemaandelijkse Bladen 6, 61-94
nikkoppen , [het hoofd op en neer bewegen] , nikkòppen , Met het hoofd van ja! knikken. Verg. schüddekòppen.
Bron: Draaijer, W. (2e druk 1936), Woordenboekje van het Deventersch Dialect, Deventer: Kluwer.
nikkoppen , nikkoppen , knikkebollen
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
nikkoppen , nikkopm , werkwoord, zwak , knikken met hoofd
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
nikkoppen , nikkoppen , ja knikken
Bron: Steenhuis, F.H. (1978), Stoere en Olderwetse Grunneger Woorden, Wildervank: Dekker & Huisman
nikkoppen , nikkoppen , knikken met het hoofd.
Bron: Bos-Vlaskamp, G. e.a. (1994), Olster woorden, Olst.
nikkoppen , nikkoppen , nikkoppen, enikkopt , ook: nikken, knikkend groeten.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
nikkoppen , nikkoppen , zwak werkwoord, onovergankelijk , 1. knikken met het hoofd, ja knikken Die man zat wel te nikkoppen op de vergadering, mar hij zee niks (Bro), As mien vao nikkopde, was het klaor, dan much het (Sle), Hij nikkopte van ‘goeiedag’ (Klv) 2. knikkebollen De olderling zat in de karkbaank te nikkoppen onder de prèke (Eli)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
nikkoppen , nikkòppen , 1. jaknikken; 2. zittend in een dut raken, waarbij het hoofd naar voren valt
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
nikkoppen , nikkoppm , knikken. ’n Vrendelek mense, zie nikkoppm ons toe, toe wie eur teegn kwamm.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
nikkoppen , nikkoppen , knikkoppen , werkwoord , 1. ja knikken 2. knikkebollen
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
nikkoppen , nikkoppen , 1. knikken (Oldebroek, Wezep); 2. knikkebollen; 3. knikkend groeten (Apeldoorn).
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal