elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: nonnetje

nonnetje , [onderdeel spinnenwiel] , nonnĕchien , ond. spinnewiel, V, 56.
Bron: Ebbinge Wubben, C.H. (1907), ‘Staphorster Woordenlijst’, in: Driemaandelijkse Bladen 6, 61-94
nonnetje , nunnekes , huiszwaluwen , Nunnekes baauwe d'r nèsje boove teege 't hûis, ónder d'n ooverstèk van de gèèvel. Huiszwaluwen maken hun nestje boven tegen het huis, onder de oversteek van de gevel.
Bron: Hendriks, W. (2005), Nittersels Wóórdenbuukske. Dialect van de Acht Zaligheden, Almere
nonnetje , nonnegien , zelfstandig naamwoord , de 1. kleine non 2. punaise 3. bep. klein schelpdier
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
nonnetje , nunneke , zelfstandig naamwoord, verkleinwoord , zustertje, nonnetje; Pierre van Beek: een soort fluitje uit jonge rog gemaakt; GD05 ons taante Sjaan waar as nunneke ingetreejen op den Aawendèèk; verkleinwoord van 'non', met umlaut
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal