elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: ombuiten

ombuiten , ummebuten , omruilen.
Bron: Ballot, A. (1870), Eigenaardigheden van het Twentsche dialect, uitgegeven in 1968, Hengelo.
ombuiten , ombuiten , ombuten, top um buten , zie: buten.
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
ombuiten , [omruilen] , ümmebü̂ten , zie bü̂ten.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
ombuiten , ombuten , ruilen; weer ombuten (= ʼt weerom doun) = het verruilde weer inruilen en zoo den ruil ongedaan maken. Overijselsch ummebuten, Oostfriesch umbüten. Zie: büten, en: kuutjebuten.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
ombuiten , ummĕbuutĕn , ruilen.
Bron: Ebbinge Wubben, C.H. (1907), ‘Staphorster Woordenlijst’, in: Driemaandelijkse Bladen 6, 61-94
ombuiten , ummebütten , zwak werkwoord , omruilen
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
ombuiten , ummebuutn , werkwoord, zwak , omruilen
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
ombuiten , umbuten , zwak werkwoord, overgankelijk , ruilen Die jurk past niet goed, ik wil hum nog weer umbuten (Sti), Wij mussen de fietsen nog weer ombuten (Nor), De kraande ombuten mit de buren (Vtm), Laow umbuten; tien knikkers veur een glazen (Pdh)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
ombuiten , ommebuten , werkwoord , omruilen
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal