elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: oorijzer

oorijzer , [hoofdsieraad] , oorijzer , (onzijdig) , oorijzers , beugel, hoofdsieraad der vrouwen, vooral ten platten lande, oorspronkelijk van ijzer, later van koper, zilver of goud gemaakt. Hoe ook van vorm en gehalte veranderd, heeft het tot nog toe den naam van ijzer behouden: van daar spreekt men nog van een gouden of zilveren ijzer, of eenvoudig weg ijzer. Het nieuwe ijzer staat goed.
Bron: Bouman, J. (1871), De Volkstaal in Noordholland, Purmerend.
oorijzer , ooriezer , (oorijzer), het bekende hoofdversiersel der Friesche, Groninger en Drentsche vrouwen, hoofdbestanddeel der zoogenaamde Friesche dracht, Oostfr. ôrîser, ôrîsder.
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
oorijzer , ooriezer , ooriesder, oorijzer , geschreven oorijzer, het bekende hoofdsiersel der Groninger en Friesche vrouwen; de gegoeden dragen gouden, de kleine burgerij zilveren en de mindere stand koperen ooriezers. Zoo ook onderscheidt men: brijde (breede) golden en zulvêrn, en smalle (golden en zulvêrn) ooriezers. Onder den fatsoenlijken stand behoort deze dracht thans tot de zeldzaamheden en het in onbruik komen er van dagteekent van vóór ruim dertig jaren. Oostfriesch ôrîser, ôrîsder. Vgl. ʼt hoar.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
oorijzer , ooriezer* , vergel. ’t hoar *; zie Gr. Wbk. in voce “oorijzer” (I); de zuiver Nederlandsche benaming is: Friesche, Groningsche, Noordhollandsche enz. “kap.”
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
oorijzer , ooriezĕr , oorijzer.
Bron: Ebbinge Wubben, C.H. (1907), ‘Staphorster Woordenlijst’, in: Driemaandelijkse Bladen 6, 61-94
oorijzer , ooriesder , (ouderwets), hoofddeksel van edel metaal door vrouwen gedragen
Bron: Steenhuis, F.H. (1978), Stoere en Olderwetse Grunneger Woorden, Wildervank: Dekker & Huisman
oorijzer , oor-oizer , zelfstandig naamwoord ’t , Kap of beugel van goud of zilver die onder de vrouwenmuts werd gedragen.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
oorijzer , ooriezer , het , oorijzer Boerenwichter kregen vaok, as ze 18 jaor weurden, een ooriezer (Bal), (fig.) As Geesienmeu het ooriezer opzet, mow hen heuien als het mooi weer wordt, als de zon gaat schijnen (Oos), Het aol mensk zet het ooriezer op de zon gaat schijnen (Gas)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
oorijzer , ooriezer , zelfstandig naamwoord , et 1. oorijzer 2. pet (gekscherend)
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
oorijzer , ooriezer , (zelfstandig naamwoord) , oorijzer (wordt gedragen bij klederdracht).
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal