elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: opmoeten

opmoeten , opmeutĕn , tegenhouden.
Bron: Ebbinge Wubben, C.H. (1907), ‘Staphorster Woordenlijst’, in: Driemaandelijkse Bladen 6, 61-94
opmoeten , opmeutn , werkwoord , tegenhouden, van vee
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
opmoeten , opmuiten , opwachten, tegen houden
Bron: Steenhuis, F.H. (1978), Stoere en Olderwetse Grunneger Woorden, Wildervank: Dekker & Huisman
opmoeten , opmeuten , zwak werkwoord, overgankelijk , tegenhouden Je moet de koenen bij het hek even opmeuten, aans loopt ze het hek veurbij (Gas), IJ moet de koenen opmeuten, aans komt ze bij oes in het hoffien (Oos), De Ao hef sluzen um het water op te muten (Ruw)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
opmoeten , opmeuten , werkwoord , opwachten en tegenhouden
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal