elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: opnoemen

opnoemen , opnoemĕn , term bij kinderspel, 13.
Bron: Ebbinge Wubben, C.H. (1907), ‘Staphorster Woordenlijst’, in: Driemaandelijkse Bladen 6, 61-94
opnoemen , opnumen , zwak werkwoord, overgankelijk , 1. na elkaar noemen Ik kan zo hiel wat jongens opnumen, die Jan heet (And), Nuum jij de namen op, dan zal ik ze opschrieven (Eri), Wij kunt het hiel abc wel opnumen opzeggen (Eke), Der waren sneuptenties met zoerstangen en nuum mor op en van alles en nog wat (Hijk), Wat ij almaol in die winkels kopen kunt, dat is te veul um op te numen (Scho) 2. noemen Je naom weur ok opneumd, je komt ok in aanmarking (Schl) 3. vertellen (Kop van Drenthe) Dei meraokel, nou dat za’k je wel gauw even opnuimen (Vri), z. ook opriegeln
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
opnoemen , opnumen , opneumen, opnoemen , werkwoord , opnoemen, opsommen
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
opnoemen , opnumen , (werkwoord) , opnoemen.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
opnoemen , [opnoemen] , opnumme , opnoemen , Waem duit allemaol mèt? Num mich die name ins op!
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal