elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: opvorken

opvorken , opvörken , hooi, stroo, schooven, enz. naar boven toereiken met eene vork; fig. = opzetten, opstoken, aanzetten tot iets: ’k zel hōm wel opvörken = hem daartoe wel aanzetten, opstoken, moed inspreken, enz. Noordfriesch upfäirken, fäirken.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
opvorken , opvorkĕn , met de vork toereiken.
Bron: Ebbinge Wubben, C.H. (1907), ‘Staphorster Woordenlijst’, in: Driemaandelijkse Bladen 6, 61-94
opvorken , opvörken , zwak werkwoord, overgankelijk , (Midden-Drenthe, Kop van Drenthe) = met de vork opnemen Die rangen moet wij even opvörken (Gas)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal