elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: opzwelen

opzwelen , opzwillĕn , term bij ’t hooien, V, 52.
Bron: Ebbinge Wubben, C.H. (1907), ‘Staphorster Woordenlijst’, in: Driemaandelijkse Bladen 6, 61-94
opzwelen , opswêle , werkwoord , 1. Bijeenharken. 2. Bijeenhalen of –scharrelen, bijeenroepen. | Hai het al gauw ’n man of tien opsweêld.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
opzwelen , opzwillen , opzwielen , werkwoord , bijeenharken tot zwelen, regels hooi
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal