elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: ouder

ouder , ouder , meest ouwer uitgesproken = ouderdom of in ’t algemeen voor leeftijd. , Dat kind is groot voor zijnen ouwer. Die vrouw is nog hel (vlug) voor haren ouwer. Het woord zal eene verkorting voor ouderdom wezen.
Bron: Panken, P.N. (1850) Kempensch taaleigen, Idioticon I, A-Z, Idioticon II, H-Z, red. Johan Biemans, 2010, Bergeijk.
ouder , olden , voor: ouders, Gron. ollen, olden. Dr. Landr. (1605) III, 8, 16, 18 Olderen = ouders.
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
ouder , older , oolder , leeftijd, ouderdom, ook Gron., HD. Alter. Dr. Landr. (1608) II, 32: na haer (des heeren breucken) older
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
ouder , òlder , (mannelijk) , leeftijd.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
ouder , òlder , òlders en òldren, voorvader, ouder.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
ouder , ollêrs , olders , zie: olden.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
ouder , older , (= ouder, vergrootende trap van: oud), voor: leeftijd, ouderdom; ’t older hebben = (daarvoor) oud genoeg zijn, bv. om te kunnen houwen; ’n vörreljoars in ’t older schelen = een vierendeeljaars in ouderdom verschillen), zij is van dei heur older (= dei baiden bin evenolders) = zijn van gelijken leeftijd. zoo’n older zōl ’k nijt begeeren = zoo oud wenschte ik niet te worden; noa zien older is hij nijt vörêlk = niet voordeelig. Ook de ouden zeiden reeds: ouder, voor: ouderdom. – Voor: verder gevorderden leeftijd, bv.: ’t wordt op ʼt older nijt beter = de ouderdom komt met gebreken; ʼt verstand kōmt mit ʼt older = het verstand komt met de jaren; ʼt zel op ʼt older wel betêrn = die kwaal zal op lateren leeftijd wel verdwijnen. – Ook voor: ouders, of: moeder of vader alleen; dat ken ʼn older nijt velen; ʼn older het voak ʼn bult verdrijt van zien kinder. Spreekwoord: Al is ʼt older nog zoo arm, hij dekt doch warm; ook DrentschÌJn older ken beter tien kinder grootbrengen as tien kinder ìjn older onderhollen, (ook Oostfriesch), bij Beets: Eer brengt een arme vader met vreugd zes kinderen groot, Dan dat zes rijke kinderen hem koestren in den nood. Luther: Ein Vater, wie das Sprichwort lautet, kann wohl zehen Kinder ernähren, aber zehen Kinder können nicht einen Vater ernähren. – Kil. ouder, enkelvoud van: ouders; ook = ouderdom, eveneens in Noord-BrabantschMecklenburgsch oller, Hoogduitsch Alter, Zweedsch älder = leeftijd.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
ouder , older* , Eer brengt een arme vader / Met vreugd zes kinderen groot, / Dan dat zes rijke kinderen /hem koestren in den nood. (N. Beets.)
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
ouder , oldĕn , ouders.
Bron: Ebbinge Wubben, C.H. (1907), ‘Staphorster Woordenlijst’, in: Driemaandelijkse Bladen 6, 61-94
ouder , oldĕr , leeftijd. Zij bent van gĕliĕk oldĕr, ze zijn even oud.
Bron: Ebbinge Wubben, C.H. (1907), ‘Staphorster Woordenlijst’, in: Driemaandelijkse Bladen 6, 61-94
ouder , ölder , mannelijk , leeftijd, ouderdom. Vån einen ölder: van dezelfde leeftijd. ook: ouder; zie oold
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
ouder , olders , ouders
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
ouder , òoldr , zelfstandig naamwoord, mannelijk , leeftijd. Um den òoldr, van ongeveer die jaren
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
ouder , òoldrs , zelfstandig naamwoord , ouders
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
ouder , awwer , m , leeftijd Héj is van mienen awwer Hij is van mijn leeftijd; leeftijd Op zienen aûwer Op zijn leeftijd; leeftijd Van zienen aûwer Van zijn leeftijd.
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
ouder , older , 1. ouder. 2. ’n haile older = een hele ouderdom
Bron: Steenhuis, F.H. (1978), Stoere en Olderwetse Grunneger Woorden, Wildervank: Dekker & Huisman
ouder , ouwers , zelfstandig naamwoord meervoud , Variant van ouders.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
ouder , elders , ouders.
Bron: Kuipers, Cor e.a. (1993), Zò bót ás en hiëp. Plat Hôrster, Horst.
ouder , older , 1. vader of moeder. 2. ouder (in leeftijd). 3. leeftijd, b.v.: van mien older = van mijn leeftijd.
Bron: Bos-Vlaskamp, G. e.a. (1994), Olster woorden, Olst.
ouder , older , ouder; *van mien older: van mijn leeftijd.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
ouder , olders , oalders , ouders.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
ouder , aolder , het , Voor var. z. aold = 1. leeftijd, ouderdom Hij is van dezelde older as ikke (Die), Woorum zulden ze nich trouwen, ze hebt het older (Bov), Hij is miender older van mijn leeftijd (Hol), Op zien aolder doej zukke dingen niet mèer (Dal), Aol Jans is dood, maor ja, hie har een stuk hen het older (Eex), Wat older bi’j? hoe oud ben je (Odo), Hij hef het older ok al zowat (Rod), Hij hef het older nich mit gezegd bij ziekte van ouderen (Ros), Hai wordt op het older der nait beter op (Twe), Hij komt al mooi op het aolder hij wordt er ook niet jonger op (Wee) 2. de ouderdom, mensen die oud zijn ’t Older sprek mit oude mensen hebben ook wat te zeggen (Dwi) 3. geslacht Die plaatse heurt heur al van older tot older van generatie op generatie (Dwij), Van aolder op aolder hef het altied al zo west (Wijs) *’t Older mot eerd worden (And), ... en de jongen mot leerd worden (Odo)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
ouder , [ouderdom] , aauwer , ouderdom.
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
ouder , aauwers , ouders.
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
ouder , òlder , (Gunninks woordenlijst van 1908) ouderdom
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
ouder , òlders , ouders
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
ouder , older , leeftijd. Hie is van mien older.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
ouder , olders , ouders
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
ouder , aauwers , ouders , Aauwers liire d’r jóng praote, jóng liire d’aauw zwiige. Ouders leren de kinderen praten, kinderen leren de ouders zwijgen. In de loop der tijd worden de rollen omgedraaid.
Bron: Hendriks, W. (2005), Nittersels Wóórdenbuukske. Dialect van de Acht Zaligheden, Almere
ouder , oolder , zelfstandig naamwoord , de 1. elk van beide leden van een ouderpaar 2. leeftijd, ouderdom
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
ouder , ouwers , zelfstandig naamwoord , ouders ’k Mot mergenochend nog effe naer m’n ouwers opte Korendijk
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
ouder , olders , (zelfstandig naamwoord) , (meestal mv.; enk. older), ouders. Zie ook: oldelu.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
ouder , ouwer , leeftijd (W.-Veluwe).
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.
ouder , ouwer , aawer , zelfstandig naamwoord , leeftijd (Den Bosch en Meierij; Eindhoven en Kempenland; Land van Cuijk; Tilburg en Midden-Brabant; West-Brabant); aawer; leeftijd (Helmond en Peelland)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren
ouder , aojer , (mannelijk) , aojers , ouder: vader of moeder
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
ouder , aawer , zelfstandig naamwoord , aawers , ouderdom, leeftijd, ouder; zie 'aawerdom'; WBD III.2.2:37 'ouderdom', 'ouder' = leeftijd; Reelick, Bosch' woordenboek (1993 & 2002): ouwer - leeftijd, ouderdom; Jan Naaijkens, Dès Biks (1992): Aaw(er) bijvoeglijk naamwoordzelfstandig naamwoord - voormalig, oud, leeftijd; J. H. Hoeufft, Proeve van Bredaasch Taal-eigen (1836): 'ouder' voor ouderdom; of in het algemeen voor leeftijd; in beide beteekenissen reeds bij Kiliaan. Z.a .WNT OUDER (II) zelfstandig naamwoord - 1) ouderdom, leeftijd; 2) ouderdom, hooge leeftijd of langdurig bestaan. Z.a .1. leeftijd; iemand van mènnen aawer; A. Weijnen, Etymologisch dialectwoordenboek (1995) - ouwer, aauwer - leeftijd (oostnl.); J. Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899): OU(D)ER zelfstandig naamwoord m. - ouderdom, leeftijd. Hij is van mijnen ouwer ....ze was taomelijk klein van postuur, vergeleken mee veul aander meiskes van heuren aawer. (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; ’Kareltje Vinken’; feuilleton in 10 afl. in NTC 13-4-1940 – 24-8-1940); 'n Vrouw van mijnen aawer die zooveul hee meegemaokt... (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; Den Sik van Baozel; feuilleton in 8 afl. in de NTC 25-2-1939 – 18-4-1939); Cees Robben – ’n Stuup kênd vur durren aauwer..! (19550806); Cees Robben – [Ze is] vuls te wèès vur durren aauwer... (19670505); 2. ouderdom, oude dag; C. Verhoeven, Herinneringen aan mijn moedertaal (1978): OUWER (aawer) m - leeftijd, ouderdom: den aawer hebben - oud genoeg zijn: hij is van mennen aawer - hij is even oud als ik (A.P. de Bont, Dialect v. Kempenland (1958): A.P. de Bont, Dialect v. Kempenland (1958): AAUWER, ouwer, ouderdom, leeftijd .Frans Verbunt: ene schôonen aawer - een mooie oude-dag; zie aawers; aawers; ouders; Mandos - Brabantse spreekwoorden (2003) - aawers leere de kènder praote, mar de kènder leere de aawers zwèège; SV '84 - Als kinderen volwassen zijn, willen ze geen commentaar  meer van hun ouders .WvM 'De aa is van aawers'; WBD III.2.2:80 'oudershuis' = vaderlijk huis
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant
ouder , alder , leeftijd
Bron: Arts, Jan (2015), Brónsgreun Bukske, Editie Veldes dialek, Velden.
ouder , elders , ouders
Bron: Arts, Jan (2015), Brónsgreun Bukske, Editie Veldes dialek, Velden.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal