elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: ouderling

ouderling , oldĕrlink , ouderling.
Bron: Ebbinge Wubben, C.H. (1907), ‘Staphorster Woordenlijst’, in: Driemaandelijkse Bladen 6, 61-94
ouderling , olderling , mannelijk , olderlingen , ouderling
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
ouderling , aolderling , de , aolderlingen , Voor var. z. aold = ouderling De dienstdoende aolderling stun zundaags aid veur het bredtie (Bei), Veurdat de domeneer op de preekstoel giet, gef de olderling hum de haand (Hav)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
ouderling , òlderling , òlderlink , ouderling. Ook: Gunninks woordenlijst van 1908: òlderlink
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
ouderling , oolderling , zelfstandig naamwoord , de; ouderling
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
ouderling , olderling , (zelfstandig naamwoord) , ouderling.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal