elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: partij

partij , patti , sommigen (parti) men zegt: patti menschen.
Bron: Ballot, A. (1870), Eigenaardigheden van het Twentsche dialect, uitgegeven in 1968, Hengelo.
partij , partie , paartie, partij , (klemtoon op par) , sommigen: ze zeeën partie wel = sommigen beweerden wel; ze hebt partie zooʼn fiene en ook zooʼn lange tonge; “Wies is hij, jao wieser, wed ik, As partije van zien jaogers.” Gron. parij, partei.
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
partij , partei , pêrtei, pardei, pardie, petei, petij , partij; hoeveelheid, enz. = petei, petij. Zie: part, en: petijke.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
partij , petijke , petei, pêrtei, pêrteitje, pêreitje , hoeveelheid graan, zaad, boonen of erwten dat bestemd is tot verkoop aan de beurs te Groningen. (v. Dale: partij = eene onbepaalde hoeveelheid koopwaren.)
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
partij , partij , (zelfstandig naamwoord vrouwelijk) , Zie de wdbb. In de zin van hoeveelheid koopwaren heeft het woord vaak de klemt. op de eerste lettergreep. Vroeger schijnt deze accentuering ook in andere bet. van het woord gewoon te zijn geweest, zodat partij tot parte kon vervloeien; zie parte. || Een partij lijnzaad.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
partij , parte , (partə) , (zelfstandig naamwoord) , steeds met het onbep. lidw. Een deel. || Geef me nog maar ’en parte. – Ook als telw. Sommige, enige. || Parte mensen trekken nooit geen zondagse kleren an. Parte appels ben helegaar verrot. – Op dezelfde wijze zegt men elders partij, partie; b.v. in Overijsel “partie, sommige; partie weggens, op sommige plaatsen”. (TE WINKEL, Nieuw Taalk. Magaz. 4, 236); in het Fri.: partij (party) winsen (Sch. t. W. 2, 238); in Oost-Friesl.: parté minsken, parté feld, parté mâl (KOOLMAN 2, 704); in de Transvaal partij woorde, mense (O. Volkst. 3, 141). – Parte is dus vervloeid uit partij, met het accent op de eerste lettergreep; zie partij.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
partij , part* , Zuid-Afrikaansch: partij keer = soms, en: partij = sommigen.
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
partij , partien , sommigen. Partien zegt (zĕ) wel, det ..., sommigen zeggen, dat.
Bron: Ebbinge Wubben, C.H. (1907), ‘Staphorster Woordenlijst’, in: Driemaandelijkse Bladen 6, 61-94
partij , pattie , sommige; pattie löie: sommige mensen
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
partij , paardij , sommigen
Bron: Steenhuis, F.H. (1978), Stoere en Olderwetse Grunneger Woorden, Wildervank: Dekker & Huisman
partij , pertaai , zelfstandig naamwoord de/’t , 1. Partij. 2. Sommige, een aantal. | ’t Was voor ’n pertaai mense puur zô’n afvalder.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
partij , pertéjke , spelen van een spel door twee of meer personen.
Bron: Crompvoets, H. en J. van Schijndel (1991), Mééls Woordeboe:k. Meijel: Medelo.
partij , petieje , partij.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
partij , pärtie luu , sommige mensen.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
partij , paartie , partie, partien, partied, partije , onbepaald telwoord, voornaamwoord , gebruikt als bn. en zn. Ook partie, partien (Zuidwest-Drenthe, dva), partied (ndva), partije (ndva) = 1. sommige Paartie potplaanten moet een koppel water hebben (Bei), Paartie maolen is hum dat overkommen (Ros), Partie proemers doet niks as kwakken (Wsv), Partien lu kunt het zo scharp zeggen (Hgv), Op paartie steden hebben ze een bult regen had (Row), ...hef het slim vroren (Gro), Paartie zeggen dat de elfstedentocht toch deurgait (Nor), As der ien trouwt, is dat veur paartie een hiel kosting (Oos) 2. soms (Midden-Drenthe) Paartie dèenk ik wel is: hoouveul jaor zuw nog gangs weden met dizze verbouwing (Eex), z. ook partie
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
partij , partij , partai, partaai, partije , de , partijen , Ook partai, partaai (Kop van Drenthe), partije (Zuidwest-Drenthe, zuid) = 1. club, groep Der bint een hoop politieke partijen (Nam), Hij is bie de andere partij de tegenstander bij het voetballen (Bco), Veur het voetballen mus je eerst partijgie kiezen (Anl), Hij was lid van de partij van de NSB (Bco) 2. hoeveelheid Ze hebt een hiele partij leden (Odo), Wij hebt een partij törf kregen (Bal), Hij hef nog een partij rommel achter het hoes liggen (Bov) 3. muziekpartij Wil jij die partij nog ies overspeulen? (Gas), Hij kun zien partij niet maken kon het stuk niet aan (Sle), Hij speulde de eerste partij de melodie (Zey) 4. gelijke Det is gien partije veur oe; hij is veule starker (Ruw), Hij het zien partij troffen (Vtm) 5. spelletje Hij speult een goeie partij biljart (Emm), Zuw een partijgie voetballen (Eex) 6. kandidaat Dat wicht was een goeie partij (Sle)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
partij , partie , pertie , bijwoord , (N:Hgv). Ook pertie (N:Zuidwest-Drenthe, zuid) = soms Die staandwarkers, die kunt het zo mooi zeggen partie (N:Hgv), z. ook paartie(toeren)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
partij , pärtie , sommige
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
partij , peti’je , petij , partij
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
partij , pârtie , sommige. An pârtie mensn weet iej nooit wâj der an heb.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
partij , pârtieje , pertieje , partij (politiek).
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
partij , pertèèj , heleboel , D'r ligge nog 'n hil pertèèj van die majskolleve óp d’n ékker, is dé iet vur èùw dûive? Er liggen nog een heleboel maïskolven op de akker, is dat goed voer voor je duiven?
Bron: Hendriks, W. (2005), Nittersels Wóórdenbuukske. Dialect van de Acht Zaligheden, Almere
partij , perti’j , perti’je, patti’j, partij, pattij , zelfstandig naamwoord , de 1. partij 2. huwelijkskandidaat 3. een zekere of flinke hoeveelheid van iets 4. iemands gelijke, iemands evenknie, die de ander aan kan 5. tegenpartij 6. uitvoering van een spel door twee of meer personen
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
partij , partijtjie , zelfstandig naamwoord , partijtjies , [Hei] partijtje, feestje Een klaain partijtjie
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
partij , peti’je , (zelfstandig naamwoord) , partij.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
partij , perteij , perteijke , partij , Pólletieke perteij. Politieke partij., Basperteij. Baspartij.
Bron: Laat, G. de (2011), Zoo prôte wèij in Nuejne mi mekaâr, Nuenen
partij , partie , pättie , sommige, verschillende.
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.
partij , pertie , (vrouwelijk) , pertieje , pertieke , 1. partij 2. hoeveelheid , Ein gooj pertie keze: een rijke man/vrouw kiezen. Zien pertie blaoze: zijn muziekpartij spelen in een blaasorkest. : zijn muziekpartij spelen in een blaasorkest.
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
partij , pertij , zelfstandig naamwoord , partij; Kees & Bart (krantenrubriek - 1922-193?): 'knokpertij'; Rolf Janssen, We hebben gezongen (1984): 'pertij trekken'; De Wijs – (Gehoord als beoordeling over ’n jeugdige, vrouwelijke schone) Ze blaost d’r partij goed mee, mar ze lopt ’n bietje taps-toe (13-07-1966); WBD (III.3.23.21) 'partijtje' of pötje = spelletje; De Bont, Dialect v. Kempenland (1958): zelfstandig naamwoord vr.
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant
partij , partie , partieje , partieke , partij
Bron: Arts, Jan (2015), Brónsgreun Bukske, Editie Veldes dialek, Velden.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal