elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: perk

perk , paark , strook.
Bron: Ebbinge Wubben, C.H. (1907), ‘Staphorster Woordenlijst’, in: Driemaandelijkse Bladen 6, 61-94
perk , paik , perk
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
perk , perk , zelfstandig naamwoord ’t , Ook: oude grondmaat, 25 vierkante roeden of 3,5 are.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
perk , park , paark, perk , het , Ook paark (Noord-Drenthe, Zuidwest-Drenthe, noord), perk (Ass, Veenkoloniën) = 1. perk Wat is det een mooi parkien mit bloemen, as de zunne schient (Koe) 2. grens, begrenzing Hij gung boeten de paarken te ver (Row), Dat gaait alle paarken te boeten (Eev), Der mus paol en park an steld worden (Bov), Het lawaai moet wel binnen de perken blieven (Ass), De oetgaven moet binnen de parken blieven (Dal), Ie mut hum binnen de parken holden korthouden (Sle)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
perk , pärk , perk
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
perk , pierk , pirk, pierik , zelfstandig naamwoord , de 1. ren voor kippen of varkens (vaak: waar de dieren zelf uit hun hok in kunnen komen) 2. afgerasterd stuk voor kinderen, ook wel hetz. als loophekke 3. plaats waar gras gemaaid wordt voor het paard, een kalf enz.
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal