elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: pleuris

pleuris , pluurĕs , pleuris.
Bron: Ebbinge Wubben, C.H. (1907), ‘Staphorster Woordenlijst’, in: Driemaandelijkse Bladen 6, 61-94
pleuris , plüüris , pleuritis
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
pleuris , pleures , v , Zien ége de pleures wérreke Zich kapot werken.
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
pleuris , flurris , pleuris, ontsteking van het borstvlies dat om de longen zit en de binnenkant van de borstkas bekleedt.
Bron: Crompvoets, H. en J. van Schijndel (1991), Mééls Woordeboe:k. Meijel: Medelo.
pleuris , fleures , zelfstandig naamwoord , pleuris. Ge kòndt ’t drèug of ’t nat fleures krèège (ontsteking van het borstvlies).
Bron: Naaijkens, J. (1992), Dè’s Biks – Verklarende Dialectwoordenlijst, Hilvarenbeek
pleuris , pluris , pleuris, pluries , de , Ook pleuris (Zuidwest-Drenthe, zuid, Zuidoost-Drenthe, Midden-Drenthe, Veenkoloniën), pluries (Kop van Drenthe) = pleuritis Dreuge pluris was nich zo slim, mar an natte pluris gungen ze vrouger meistal dood (Bco), Krieg um mij de pluris verwensing (Dwi), Ik schrök mij de pleuris schrok mij dood (Hgv)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
pleuris , pluures , pleuris.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
pleuris , plurres , uit de naad , Héij wèrkt z'n aojge de plurres. Hij werkt zich uit de naad. Hij werkt zich een ongeluk.
Bron: Hendriks, W. (2005), Nittersels Wóórdenbuukske. Dialect van de Acht Zaligheden, Almere
pleuris , pleuris , pluris , zelfstandig naamwoord , de; pleuritis (ziekte aan de longen)
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
pleuris , pluuris , zelfstandig naamwoord , pleuritis
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
pleuris , fleuris , pleuris, borstvliesontsteking (W.-Veluwe).
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.
pleuris , pleures , zelfstandig naamwoord , borstvliesontsteking (Den Bosch en Meierij; Land van Cuijk)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren
pleuris , fluueris , (mannelijk) , pleuritis, pleuris, zie ook pluueres , De nate fluueris: longontsteking, ernstige borstvliesontsteking. Krieg de fluueris!: verwensing.: verwensing.
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
pleuris , pluueres , fluueres , (mannelijk) , 1. pleuritis 2. herrie , Hae haet lang in bèd gelaege mèt de nate pluueres.
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
pleuris , fleures , flures , zelfstandig naamwoord , Frans Verbunt: pleuris; WBD III.1.2:301 'pleuris'; WBD III.1.2:308 'pleuris'; = pleuritis (borstvliesontsteking); = heupjicht (ischias); Jan Naaijkens - Dè's Biks - 1992 – fleures zelfstandig naamwoord - pleuris; WNT FLEURIS - Z-Ndl. vorm naast pleuris; flures; pleuris, populaire benaming voor pleuritis; Witt. 'flurris'; WNT XII:2636 pleuris, pleures, plures, pluries, pluris etc. Jan Naaijkens - Dè's Biks - 1992 – fleures zelfstandig naamwoord - pleuris (drèug of nat)
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal