elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: poer

poer , poer , Hakblok; denkelijk verwant aan porren, in den zin van slaan, kloppen, houwen, hakken; het Amsterdamsche porren, kloppen, wekken: ‘hier gaat men uit porren,’ waarvan zie Bilderdijk op Por.
Bron: Buser, T.H. (1856-1861), ‘Geldersch Taaleigen’, in: De Nederlandsche Taal 1856, 1: 13-17, 163-188; 1857, 2: 194-217; 1858, 3: 271-278; 1859, 4: 186-197; 1861, 6: 61-68.
poer , [onderdeel van een fundering, hakblok] , pûr , (mannelijk, vrouwelijk) , hakblok.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
poer , poer , (zelfstandig naamwoord vrouwelijk) , Peur, een tros van aan een draad geregen wormen, die aan het eind van een stok wordt vastgemaakt en dient om aal te vangen. || Een poer rijgen. – Vgl. poeren, poerlood, poerworm.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
poer , poerĕ , fondament v. e. balk. V, 38.
Bron: Ebbinge Wubben, C.H. (1907), ‘Staphorster Woordenlijst’, in: Driemaandelijkse Bladen 6, 61-94
poer , půůren , mannelijk , půůren , steunpaal, blok hout, o.a. om vlees te hakken
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
poer , poer , zelfstandig naamwoord, mannelijk , poers , poerkn , 1 stuk van hout, steen, of derg. als voetstuk, 2 onhandelbaar brok van zware harde stof. Nen poer in de hoed hebm, te veel gegeten hebben
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
poer , poere , betonnen voetstuk.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
poer , poer , poere , de , poeren , Ook poere (Zuidwest-Drenthe) = poer, stenen onderbouw van een stijl De poere komp in de grond en op de poere komp de stiele (Hgv), De poere is vanuut het vaste op emetseld (Eli)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
poer , poere , (Zuidwest-Drenthe, zuid), in Ie meut de laoge der niet te dik opjagen, aans kriej er de poere in van een laag bagger (Pes)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
poer , poere , pijler
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
poer , poern , poeren, fundatie van kolommen en pijlers van een brug.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
poer , poere , zelfstandig naamwoord , de; poer: deel van de fundering van een stijl boven de grond, gemetseld fundament van elk der zware balken waarmee een klokkestoel op de grond rust
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
poer , poere , (zelfstandig naamwoord) , pijler.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
poer , poer , kwijt, weg
Bron: Oudenaarden, Jan (2015), Wat zeggie? Azzie val dan leggie! Aspecten van het dialect van Rotterdam, Rotterdam.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal