elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: populier

populier , peppel , (vrouwelijk) , populier.
Bron: Halbertsma, J.H. (1835), ‘Woordenboekje van het Overijselsch’, in: Overijsselsche Almanak voor Oudheid en Letteren 1836, Deventer: J. de Lange.
populier , peppel , Idem Overijselsch. Popel , popelboom, populier, esp, abeel, Lat. populus. Het woord komt van popen, en vormt het voortdurende werkwoord popelen of poperen, beven, sidderen, trillen, schudden. Zie Kiliaan met van Hasselts aanteekening. Hij is dus genoemd wegens het trillen der bladeren, die bijna altoos in beweging zijn, en daarom spottenderwijze wel vrouwentongen genoemd worden, welke benaming Huydecoper, Proeve, III, 49 niet onaardig vindt, waarmede Bilderdijk, Geslachtslijst, II, 367 niet kan instemmen. De beteekenis van sidderen, enz. zit ook in de Fransche benaming tremble, anders peuplier.
Bron: Buser, T.H. (1856-1861), ‘Geldersch Taaleigen’, in: De Nederlandsche Taal 1856, 1: 13-17, 163-188; 1857, 2: 194-217; 1858, 3: 271-278; 1859, 4: 186-197; 1861, 6: 61-68.
populier , pö̀ppel , (vrouwelijk) , populier.
Bron: Gallée, J.H. (1895), Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect, aanhangsel Twents
populier , peppel , (mannelijk) , populier.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
populier , peppel , (mannelijk) , Populier.
Bron: Draaijer, W. (1896). Woordenboekje van het Deventersch Dialect. ’s-Gravenhage: Martinus Nijhoff
populier , peupĕl , populier.
Bron: Ebbinge Wubben, C.H. (1907), ‘Staphorster Woordenlijst’, in: Driemaandelijkse Bladen 6, 61-94
populier , peppel , (mannelijk) , Populier.
Bron: Draaijer, W. (2e druk 1936), Woordenboekje van het Deventersch Dialect, Deventer: Kluwer.
populier , pöppel , mannelijk , populier
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
populier , poepelier , zelfstandig naamwoord de , Variant van populier.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
populier , peppels , populieren.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
populier , pöppelèer , populèer, popelèer, pompelèer, poppelèer, pöppelee , de , pöppelèern , Ook populèer, popelèer, pompelèer (Zuidwest-Drenthe, noord), poppelèer, pöppeleer (Midden-Drenthe, Zuidoost-Drents zandgebied), pöppelier (Noord-Drenthe, Zuid-Drenthe) = populier Dizze popeleer is zeeik, hie wordt umkapt (Eex)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
populier , peppel , päppel , (Kampen) populier. Ook: päppel (Kampereiland, Kamperveen)
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
populier , pâppel , peppel, populier.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
populier , pompelier , popelier , zelfstandig naamwoord , de; populier
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
populier , peppel , peppelboom , zelfstandig naamwoord , de 1. populier, vaak: ratelpopulier 2. klomp van peppelhout
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
populier , päppel , (zelfstandig naamwoord) , peppel, populier.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
populier , poppelier , poepelier , populier, peppel (Wezep), poepelier (Nunspeet).
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.
populier , pappel , zelfstandig naamwoord , zwarte populier, 'pèppel', 'blauwe poopelier' = populus nigra ofwel populus italica, Italiaanse populier; WBD III.4.3:133 pappel, pèppel - zwarte populier; WNT PAPPEL, ook PEPPEL, volksnaam voor den populier in 't algemeen, voor den zwarten populier en den ratelpopulier in het bijzonder.
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant
populier , poppelier , zelfstandig naamwoord , "populier, 'poopelier', 'flierbôom', 'pèppel', 'waajbôom'; Cees Robben –  pópeliere zulderke (zie commentaar: zulderke); (volgens F. de Kok: zwak bouwsel); N. Daamen (handschrift 1916) – ""poppeliere zulderke (zeggen de kinderen tegen een plank of ander voorwerp waarop zij staan en doorbuigt""; WBD III.4.4:153 'papeliere zoldertje' = drijfzand, ook: 'papieren zoldertje III.4.4.96 'papieren zolder(tje) ' = slecht dragend ijs; WNT POPULIEREN - uit populierhout gemaakt"
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal